Mattheus 4

11 Toena werd Jezus2 van de Geest weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden van de3 duivel. 2En als Hij veertig dagen en veertig nachten4 gevast had, hongerde Hem ten laatste. 3En de5 verzoeker, tot Hem gekomen zijnde, zei: Als U6 Gods Zoon bent, zeg, dat deze stenen broden worden. 4Maar Hij, antwoordende, zei: Er is geschreven:b De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle7 woord, dat door de mond van God uitgaat. 5Toen nam Hem de duivel mee naar de8 heilige stad, en stelde Hem op de9 tinne van de tempel; 6En zei tot Hem: Als U Gods Zoon bent, werp Uzelf naar beneden; want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, en dat zij U op de handen zullen nemen, opdat U niet te eniger tijd Uw voet aan een steen aanstoot. 7Jezus zei tot hem: Er is opnieuw geschreven: U zult de Heere, uw God, niet verzoeken. 8Opnieuw nam Hem de duivel mee op een zeer hoge berg, en10 toonde Hem al de koninkrijken van de wereld, en hun heerlijkheid; 9En zei tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, als U, nedervallende, mij zult aanbidden. 10Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: De Heere, uw God, zult u aanbidden, en Hem alleen dienen. 11Toen liet de duivel van Hem af; en ziet, de12 engelen zijn toegekomen, en dienden Hem. 12Als nu Jezus gehoord had, datf Johannes13 overgeleverd was, is Hij teruggekeerdg naar Galilea; 13En Nazareth verlaten hebbende, is komen wonen te Kapernaüm, gelegen aan de zee, in de landpale van Zebulon en Nafthali; 14Opdat vervuld zou worden, wat gesproken is door Jesaja, de profeet, zeggende: 15h Het land Zebulon en het land Nafthali aan de weg van de zee14 over de Jordaan, Galilea van15 de volken; 16Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en degenen, die zaten in het land en de schaduwe van de dood, dezelfde is een licht opgegaan. 17Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken en te zeggen:i Bekeert u; want het Koninkrijk van de hemelen is nabij gekomen. 18k En Jezus, wandelende aan de16 zee van Galilea, zag twee broers, namelijk Simon, gezegd Petrus, en Andreas, zijn broer, het17 net in de zee werpende (want zij waren vissers); 19En Hij zei tot hen: Volgt Mij na, en Ik zal u vissers van de mensen maken. 20Zij dan, meteen de netten verlatende, zijn Hem nagevolgd. 21En Hij, van daar voortgegaan zijnde, zag twee andere broers, namelijk Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broer, in het schip met hun vader Zebedeüs, hun netten vermakende, en heeft hen geroepen. 22Zij dan, meteen verlatende het schip en hun vader, zijn Hem nagevolgd. 23En Jezus omging geheel Galilea, lerende in hun19 synagogen en predikende het Evangelie van het Koninkrijk, en genezende20 alle ziekte en alle kwalen onder het volk. 24En Zijn gerucht ging van daar uit in geheel Syrië; en zij brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren, met verscheidene ziekten en21 pijnen bevangen zijnde, en van de duivel bezeten, en22 maanzieken en23 geraakten; en Hij genas hen. 25En vele24 menigten volgden Hem na, van Galilea en van25 Dekapolis, en van Jeruzalem, en van Judea, en van over de Jordaan.