Klaagliederen 5

11 Gedenk, JAHWEH, wat ons geschied is, aanschouw het, en zie2 onze smaad aan. 23 Ons erfdeel is tot de vreemdelingen gewend, onze huizen tot de uitlanders. 3Wij zijn wezen4 zonder vader, onze moeders5 zijn als de weduwen. 46 Ons water moeten wij voor geld drinken;7 ons hout komt ons op prijs te staan. 5Wij lijden vervolging8 op onze halzen;9 zijn wij moe, men laat ons geen rust. 610 Wij hebben de Egyptenaar de hand gegeven, en de Assyriër,11 om met brood verzadigd te worden. 712 Onze vaders hebben gezondigd,1314 en zijn niet meer,15 en wij dragen hun ongerechtigheden. 816 Knechten heersen over ons; er is niemand, die ons uit hun17 hand rukke. 9Wij moeten18 ons brood19 met gevaar van ons leven halen,20 vanwege het zwaard van de woestijn. 1021 Onze huid is zwart geworden gelijk een oven,22 vanwege de geweldige storm van de honger. 11Zij hebben de vrouwen te Sion23 verkracht, en de jonge dochters in de steden van Juda. 1224 De vorsten zijn door hun hand opgehangen;25 de aangezichten van de ouden zijn niet geëerd geweest. 1326 Zij hebben de jongemannen weggenomen, om27 te malen, en28 de jongens struikelen onder het hout. 14De29 oude houden op van de poort, de jongemannen30 van hun snarenspel. 15De vreugde van ons31 hart houdt op,32 onze rei is in treurigheid veranderd. 1633 De kroon van ons hoofd is afgevallen; o wee nu over ons, dat wij zo gezondigd hebben! 17Daarom is ons hart34 mat,35 om deze dingen zijn onze ogen duister geworden. 1836 Omwille van de berg Sion, die verwoest is, waar37 de vossen op lopen. 1938 U, o JAHWEH,39 zit in eeuwigheid, Uw troon is van geslacht tot geslacht. 20Waarom zou U ons40 steeds41 vergeten?42 Waarom zou U ons43 zo lange tijd verlaten? 21JAHWEH,44 bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn;45 vernieuw onze dagen46 als van ouds. 2247 Want zou U ons48 geheel verwerpen? Zou U zozeer tegen ons toornig zijn?