Ezechiël 1

Boekinleiding lees meer ▾ AL hoewel God de JAHWEH de Koning Iechonia of Ioiachin met vele Joden (waar onder Ezechiel mede was) gevankelijk had laten weg voeren na Babel, zo en heeft hij haar nochtans daar mede niet teenemaal v...
AL hoewel God de JAHWEH de Koning Iechonia of Ioiachin met vele Joden (waar onder Ezechiel mede was) gevankelijk had laten weg voeren na Babel, zo en heeft hij haar nochtans daar mede niet teenemaal verlaten, maar, om te toonen dat hij zijn kerk noch onder haar, zelfs in Babel, wilde behouden, en naderhant genadichlijk verlossen en herstellen, heeft hij tot haar dienst verwekt deze voortreffelijken Profeet, door de welke hij deze gevangenen in Babel even het zelf, in verscheidene gezichten, Prophetyen en Predicatien, heeft voorgestelt, dat hij door de Profeet Ieremiam, haar broers, die in ’t Land en te Jeruzalem onder de Koning Zedekia waren gebleven, dagelijks liet voordragen, hoewel bij beiden (zo wel die te Jeruzalem, als die in Babel waren) gelijke ongeloovigheid en hardnekkige ontboetveerdigheid gevonden wiert. Te Jeruzalem en geloofden zij de Profeet Ieremia niet, maar spotteden met de gene, die haar aan de Koning van Babel hadden overgegeven, en gevankelijk laten weg-voeren, menende dat zij nu alleen erfgenaamn van de lants zouden zijn, en haar weg-gevoerde broers daarvan versteken blijven. In Babel en geloofdense de Profeet Ezechiel niet, maar murmureerden tegen God, en hielden haar veel ongelukkiger als haar broers die in ’t Land gebleven waren, de welke God nochtans zo door Ezechiel als door Ieremia veel zwaardere plagen, beneffens de uiterste ruijne van de stad, de Tempel en ’t Land voorzegde, maar allesins met byvoegingen van zeer schoone beloften en vertroostingen, voor de boetveerdigen en geloovigen, van zijn toekomstige gewis genade, zo in ’t lichamelijke als in het bijzonder in ’t geestelijke, en zijn strenge oordelen over alle haar vijanden, en verdrukkers. Hier op slaat principalijk dit gehele boek van Ezechiel, waarin hij in de eerste drie Hoofdstukken beschrijft een zeer uitnemend en wonderbaar gezichte, door het welke hem God in zijn Profeetlijk ambt heeft bevestigd, onderwezen en versterkt. In ’t volgende, tot aan ’t 25. hfst. toe, worden de grouwelijke zonden, principalijk van de Joden, die te Jeruzalem en in Iuda waren, en ook haar nakende straffen, door verscheidene Goddelijke tekenen, gezichten, gelijkenissen, en Profetise straf-predicatien zeer levendig afgemaalt. Daar na tot aan ’t 33. Hoofdstuk, voorzegd God de naburige vyantlijke heidenen, als Ammoniten, Moabiten, Edomiten, (van de welke ook gehandelt wordt hfst. 35.) Filistijnen, Tyriers, Zidoniers en Egyptearen, haar ondergang. Verder van ’t 33 tot aan ’t 40 Hoofdstuk, worden heftichlijk van God bestraft de zonden, murmureringen en huicheleryen van de Joden, die in Babel gevangen waren, met vermaningen tot ware bekering, en geloovige verwachting van de toekomstige verlossing, vergadering, en zegening zijn kerk, niet alleen door de verlossing uit de Babylonische gevangenis, maar ook voornaamlijk door ’t groot gena den-werk dat God aan zijn Algemene kerk van de Joden en heidenen zou bewijzen door haar enige Heiland en Koning JEZUS CHRISTUS, met waarschouwing van de zwaren strijt en vyantschap, die haar van Gog, en Magog, met haar gantschen aanhank, zou bejegenen, en met belofte van een eindelijke blijde uitkomste. In de 9 laatste Hoofdstukken besluit en verzegelt God deze Prophetyen, in Babylonië, met een zeer groot gezichte van ’t gebouw eens nieuwen Tempels, nieuwen godsdienst, nieuwe regering van Gods volk, nieuw erflant, en een nieuwe stad, alles voor Israël en de vreemdelingen: afbeeldende onder figuren, na de eis van die tijt, de toekomstigen begenadigden en gesegenden staat van de strijdende en triumpherende kerk onder haar Koning de Messia JEZUS Christus, die met de Vader en de Heiligen Geest, als de enige ware God Israëls, gelooft moet zijn in alle eeuwigheid. Amen.
1In het1 dertigste jaar, in de2 vierde3 maand, op de vijfde van die maand,4 als ik in het midden5 van de weggevoerden was bij de rivier6a Chebar, zo gebeurde het, dat de hemelen7 werden geopend, en ik8 visioenen Gods zag. 2Op de vijfde van die maand (dit was het9 vijfde jaar van de wegvoering van de koning Jojachin), 310 Gebeurde het woord van JAHWEH uitdrukkelijk tot11 Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester, in het land van de Chaldeeën, bij de rivier Chebar; en12 de hand van JAHWEH was daar op hem. 4Toen13 zag ik, en ziet, een stormwind14 kwam van15 het noorden af, een16 grote wolk, en een17 vuur18 daarin vervangen, en een19 glans was rondom die wolk; en uit het midden20 daarvan was als21 de verf van22 Hasmal,23 uit het midden van het vuur. 5En uit het midden24 daarvan kwam de gelijkenis van25 vier dieren; en dit was hun gedaante: zij hadden de gelijkenis van26 een mens; 6b En elk had27 vier aangezichten; ook had elk van hen28 vier vleugelen. 7En hun29 voeten waren30 rechte voeten, en hun31 voetplanten waren gelijk de voetplanten van32 een kalf, en33 glinsterden gelijk de verf van34 glad koper. 8Enc mensenhanden35 waren36 onder hun vleugelen, aan hun37 vier zijden; en die vier hadden hun aangezichten en hun vleugelen. 9Hun38 vleugelen waren samengevoegd,39 de één aan de ander; zij40 keerden zich niet om, als zij gingen;41 zij gingen elk recht uit voor zijn aangezicht heen. 10d De gelijkenis nu van hun aangezicht was het aangezicht van een mens42, en het aangezicht van een leeuw43 hadden44 zij vier aan de rechterzijde; en aan de linkerzijde hadden die vier het aangezicht van een os45; ook hadden die vier van een arend46 aangezicht. 1147 Ook waren hun aangezichten en48 hun vleugelen opwaarts49 verdeeld;50 elk had er51 twee52 samengevoegd aan de andere,53 en twee bedekten hun lichamen. 1254 En zij gingen elk rechtuit voor zijn aangezicht heen; waarheen de55 geest was om te gaan, gingen zij;56 zij keerden zich niet om, als zij gingen. 13Voor wat betreft de gelijkenis van de dieren, hun gedaante was als57 brandende kolen van het vuur, als de gedaante van58 de fakkelen; dat59 vuur ging steeds tussen die dieren; en het vuur had60 een glans, en uit het vuur kwam een61 bliksem voort. 14De dieren nu liepen en62 keerden weer als de gedaante van een weerlicht. 15Als ik die dieren zag, ziet, zo was er een63 rad op de aarde64 bij die dieren, naar65 vier aangezichten66 van hetzelfde. 16e De gedaante van de raderen en van die67 maaksel was als de verf van een68 turkoois; en die vier hadden69 enerlei gelijkenis; daartoe was hun gedaante, en hun maaksel,70 alsof het was een rad in het midden van een rad. 17Als zij gingen, zij gingen71 op hun vier zijden; zij72 keerden zich niet om, als zij gingen. 18En hun73 velgen,74 die waren zo hoog, dat zij vreselijk waren; enf hun velgen waren vol75 ogen rondom aan die vier raderen. 1976g Als nu de dieren gingen, gingen de raderen bij hen; en als de dieren van de aarde opgeheven werden, werden de raderen opgeheven. 20Waarhenen de77 geest was om te gaan, gingen78 zij,79 waarheen de geest was om te gaan; en de raderen werden tegenover80 hen opgeheven; want81 de geest van82 de dieren was in de raderen. 21Als83 die gingen, gingen84 deze; en als die85 stonden, stonden zij; en86 als die van de aarde opgeheven werden, werden de raderen tegenover hen opgeheven; want de87 geest88 van de dieren was in de raderen. 22En over de hoofden89 van de dieren was de gelijkenis van een uitspansel90, gelijk91 de verf van het92 vreselijke kristal, van boven af over hun hoofden uitgespreid. 23En onder dat uitspansel waren hun vleugelen93 rechtop,94 de één aan de ander;95 ieder had er twee,96 die herwaarts hun lichamen bedekten, en97 ieder had er twee,98 die ze daarheen bedekten. 24En als zij gingen, hoorde ik een99 geruis van hun vleugelen, als het geruis van vele wateren, als100 de stem van de Almachtigen, als de stem van een geroep, als het gedreun van een legermacht; als zij101 stonden, zo lieten zij hun vleugelen neer. 25En er gebeurde een102 stem van boven het uitspansel, dat boven103 hun hoofden was, als zij stonden, en hun vleugelen neergelaten hadden. 26En boven het uitspansel, dat was boven hun hoofden, was de gelijkenis van een troon104, als de gedaante van105 een saffiersteen; en op de gelijkenis van de troon was de gelijkenis als de gedaante van een mens106, daarboven107 op zijnde. 27En ik zag108 als de verf van109 Hasmal, als de gedaante110 van vuur111 rondom daarbinnen, van de gedaante van Zijn middel en opwaarts; en van de gedaante van Zijn middel en naar beneden, zag ik als de gedaante van vuur, en112 glans aan Hem rondom. 28Gelijk de gedaante van de boog, die in de wolk is op de dag van de plasregens,113 zo was de gedaante van de glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis van114 de heerlijkheid van JAHWEH; enh als ik het zag,115 viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een, Die sprak.