Judas 1

Boekinleiding lees meer ▾ D’Apostel Iudas, navolgende het exempel en ook de voetstappen van de Apostels Petri in zijn tweeden zendbrief, heeft deze brief geschreven om de geloovige Christenen te vermanen tot standvastigheid in...
D’Apostel Iudas, navolgende het exempel en ook de voetstappen van de Apostels Petri in zijn tweeden zendbrief, heeft deze brief geschreven om de geloovige Christenen te vermanen tot standvastigheid in het ware geloof, en tot die ein de te waarschouwen voor de valse leraren en spotters, om van haar niet verleidt te worden. 1 En ten eerste na ’t opschrift en de groetenis, 3 stelt hij deze vermaning voor, en wijst aan hoe noodig de zelf is, alzo vele goddeloze Mensen onder de Christenen waren in-geslopen. 5 Verklaart dat zulke eeuwelijk van God sullen gestraft worden, en bewijst het met gelijke exemplen van de Israëlieten in de woestijne. 6 van de afvallige Engelen. 7 en van de inwoonders van Sodoma en Gomorra. 8 Beschrijft haar dat zij de Overheden lasteren, ’t welk zelf de Archangel Michaël tegen de duivel niet en heeft durven doen. 11 Dat zij de voetstappen volgen ven Cain, Balaam, en Core. 12 Dat zij vlekken zijn van de Christelijke vergaderingen, huichelaars, ongestadige, en dat zij sekerlijk sullen verdoemt worden. 15 ’t welk hij bevesticht met een profetie van Enoch. 16 en beschrijft voorder haar gebreken. 17 en secht dattet die luiden zijn daar d’Apostelen haar van gewaarschouwt hebben. 20 Daar na verhaalt hij opnieuw de zelf vermaning tot standvastigheid, met belofte van de eeuwigen levens. 22 Vermaant ze dat zij haar naasten ook zoeken te behouden, sommige met soetigheid, andere met hardigheid. 24 Ten slotte besluit hij met een lof en dank-segging tot God.