Jesaja 9
1Het1a volk, dat2 in duisternis wandelt, zal3 een groot licht zien; degenen, die wonen4 in het land van de schaduw van de dood, daarover zal5 een licht schijnen.
26 U hebt dit volk vermenigvuldigd,7 maar U hebt de blijdschap niet groot gemaakt; zij zullen8 toch blij9 wezen voor Uw aangezicht, gelijk men zich verblijdt in de oogst, gelijk men verheugd is, wanneer men de buit uitdeelt.
3Want10 het juk van hun last, en de stok van hun schouders, en de staf van degene,11 die hen dreef, hebt U verbroken,b gelijk op de dag van de Midianieten;
4Toen de hele strijd van degenen, die streden,12 met gedruis gebeurde, en13 de kleren14 in het bloed gewenteld en verbrand werden,15 tot een voedsel van het vuur.
516 Want17 een Kind18 is ons geboren,19 een Zoon is20c ons21 gegeven, en22 de heerschappij is op Zijn schouder; en men23 noemt Zijn naam24 Wonderlijk,25d Raad,26 Sterke God,27 Vader van de28 eeuwigheid, Vredevorst;
6Van de29 grootheid van deze heerschappij en van de vrede zal geen einde zijn op30 de troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te sterken31 met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe. De32e ijver van JAHWEH van de legermachten zal dat doen.
733 De Heere heeft34 een woord gezonden in Jakob, en35 het is gevallen in Israël.
8En al dit volk zal het gewaar worden,36 Efraïm en de inwoner van37 Samaria;38 in hoogmoed en grootsheid van het hart, zeggende:
939De tichelstenen40 zijn gevallen, maar41 met uitgehouwen stenen zullen wij opnieuw bouwen;42 de wilde vijgebomen zijn afgehouwen, maar43 wij zullen ze in cederen veranderen;
1044 Want JAHWEH zal45 Rezins tegenstanders tegen hem verheffen, en Hij46 zal zijn vijanden samen vermengen:
11De Syriërs van voren, en de Filistijnen van achteren, dat zij48 Israël49 opeten50 met vollen mond.51f Om dit alles keert52 Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand53 is nog uitgestrekt.
12Want54 dit volk55 keert zich niet56 tot degene die het slaat, en JAHWEH van de legermachten zoeken57 zij niet.
13Daarom zal JAHWEH58 afhouwen uit Israël59 de kop en de staart, de tak en de bieze,60 op één dag.
14(De oude en61 aanzienlijke, die is de kop; maar de profeet, die62 valsheid leert, die63 is de staart.)
1564 Want65 de leiders van dit volk66 zijn verleiders, en die van hen geleid worden,67 worden ingeslokt.
16Daarom zal zich de Heere68 niet verblijden over hun69 jongemannen, en van hun wezen en van hun weduwen zal Hij zich niet ontfermen, want zij zijn allen70g samen huichelaars en boosdoeners, en71 alle mond spreekt72 dwaasheid.73 Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.
17Want74h de goddeloosheid brandt als vuur,75 doornen en distelen zal zij verteren, en zal aansteken76 de verwarde struiken van het woud, die zich verheven hebben als de77 verheffing van de rooks.
18Vanwege de toorn van JAHWEH van de legermachten, zal7978 het land verduisterd worden; en het volk zal zijn als80 een voedsel81 van82 het vuur: de één zal de ander niet sparen.
19Zo hij ter rechterhand83 snijdt, zal hij toch hongeren, en zo hij ter linkerhand eet, zal hij toch niet verzadigd worden; ieder zal het vlees84 van zijn arm eten;
2085 Manasse Efraïm,86 en Efraïm Manasse, en zij zullen samen87 tegen Juda zijn.88 Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.