Jesaja 51

11 Hoort naar Mij, u, die de gerechtigheid nastreeft, u, die JAHWEH zoekt! aanschouw de rotssteen, waar2 u3 uit gehouwen bent, en de holligheid van de bornputs,4 waar u uit gegraven bent. 25 Aanschouwt Abraham, uw vader, en Sara, die u gebaard heeft; want6 Ik riep hem,7 toen hij nog alleen was, en Ik zegende hem, en Ik vermenigvuldigde hem. 3Want JAHWEH zal8 Sion troosten, Hij zal9 troosten al haar woeste plaatsen, en Hij zal10 haar woestijn maken11 als Eden, en haar wildernis12 als de hof van JAHWEH; vreugde en blijdschap13 zal daarin gevonden worden, dankzegging en een stem van het gezang. 4Luister naar Mij, Mijn volk! en Mijn mensen, neigt naar Mij het oor! want14 een wet zal van Mij uitgaan, en Ik zal Mijn15 recht16 doen rusten17 tot een licht van de volken. 518 Mijn gerechtigheid is nabij,19 Mijn heil20 trekt uit, en21 Mijn armen zullen de volken richten; op Mij zullen22 de eilanden wachten, en23 op Mijn arm zullen zij hopen. 6Hef uw ogen op naar de hemel, en aanschouwt de aarde beneden; want24 de hemel zal als een rook verdwijnen, en de aarde zal als een kleed verouden, en haar inwoners zullen25 van gelijken sterven; maar26 Mijn heil zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal27 niet verbroken worden. 7Hoort naar Mij, u, die de gerechtigheid29 kent, u volk,a in wier hart Mijn wet is30!b vreest niet de smaad31 van de mens, en voor32 hun smaadredenen ontzet u niet. 8Wantc de mot zal ze opeten als een kleed, en het schietwormpje zal ze opeten34 als wol; maar35 Mijn gerechtigheid zal in eeuwigheid zijn, en Mijn heil36 van geslacht tot geslachten. 9Ontwaak, ontwaak, trek sterkte aan, U arm van JAHWEH! ontwaak als in de vroegere dagen, als in de geslachten van ouds; bent U het niet, Die39 Rahab40 uitgehouwen hebt, Die41 de zeedraak42 verwond hebt? 10Bent U het niet, Die de zee, de wateren van de grote afgrond, droog gemaakt hebt?d Die de diepten van de zee gemaakt hebt tot een weg, opdat de verlosten daardoor gingen? 11Zo zullen de vrijgekochten van JAHWEH terugkeren, en met gejuich tot Sion komen; en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vreugde en blijdschap zullen zij47 aangrijpen, treuring en zuchting zullen wegvlieden. 12Ik, Ik ben het, Die u troost;50 wie bent u, dat u vreest voore de mens, die51 sterven zal? en voor het kind van een mens52, dat hooi worden zal? 13En vergeet JAHWEH, Die u gemaakt heeft,f Die de hemelen heeft uitgebreid, en de aarde gegrond heeft, en vreest steeds de hele dag, vanwege de woede van de benauwers, wanneer hij zich bereidt om te verderven?55 Waar is dan de woede van de benauwers? 14De omzwevende gevangene zal haastig los gelaten worden; en hij zal in de kuil niet sterven, en zijn brood zal hem niet ontbreken. 15Want Ik ben JAHWEH, uw God, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen; JAHWEH van de legermachten is Zijn Naam. 16En Ik leg Mijn woorden in uw mond, en bedek u onder de schaduw van Mijn hand; om de hemel te planten, en om de aarde te gronden, en om te zeggen tot63 Sion: U bent Mijn volk. 17g Waak op, waak op, sta op, Jeruzalem! u, die gedronken hebt67 van de hand van68 JAHWEH de beker Zijn woede; de droesem van de69 beker van de zwijmeling hebt u gedronken,70 ja, uitgezogen. 18Er is niemand van al de kinderen, die zij gebaard heeft, die haar zachtjes leidt; en niemand van al de kinderen, die zij opgevoed heeft,74 die haar bij de hand grijpt. 19h Deze twee dingen zijn u overkomen, wie heeft medelijden met u? Er is verwoesting, en verbreking, en honger, en zwaard, door wie zal Ik u troosten? 20i Uw kinderen zijn in bezwijming gevallen, zij liggen vooraan op alle straten, gelijk81 een wilde os82 in het net; zij zijn vol83 van de woede van84 JAHWEH, van de schelding van uw God. 21Daarom hoort nu dit, u bedrukten! en u dronkenen, maar niet van wijn! 22Zo zegt de Heere, JAHWEH en uw God, Die van Zijn volk zaak twisten zal: Zie, Ik neem de beker van de zwijmeling van uw hand, de droesem van de beker van mijn woede; u zult die voortaan niet meer drinken. 23Maar Ik zal hem die, die u bedroefd hebben, in de hand zetten, die tot uw ziel zeiden: Buig u neer, dat wij over u gaan; en u legde uw rug neer als aarde, en als een straat van degenen, die daarover gaan.