Jesaja 47
11 Daal af, en2a zit in het stof, u jonkvrouw, dochter van Babel! zit op de aarde,345 er is geen troon meer,6 u dochter van de Chaldeeën! want7 u zult niet meer genaamd worden de tedere, noch de wellustige.
28 Neem de molen, en maal meel;9 ontdek uw vlechten, ontbloot10 de enkelen,11 ontdek de schenkelen,12 ga door de rivieren.
3b Uw13 schaamte zal ontdekt worden, ook zal uw schande gezien worden;14 Ik zal wraak nemen, en Ik zal op u niet aanvallen15 als een mens.
416 De Naam van onze Verlosser is JAHWEH van de legermachten, de Heilige van Israël.
517 Zit stilzwijgende, en ga in de duisternis, u dochter van de Chaldeeën! want18 u zult niet meer genoemd worden19 koningin van de koninkrijken.
6Ik was op Mijn volk zeer boos,20 Ik ontheiligde21 Mijn erfenis, en Ik gaf hen over in uw hand; maar u beweest hun geen barmhartigheden,22 ja, zelfs over de oude23 maaktet u uw juk zeer zwaar.
7En24 u zei: Ik zal25c koningin zijn in eeuwigheid; tot nog toe hebt u deze dingen niet in uw hart genomen, u hebt26 aan het einde daarvan niet gedacht.
8Nu dan, hoor dit, u weelderige! die zo zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en niemand meer dan ik: ik zal geen weduwe zitten, noch de beroving van kinderen kennen.
9Maard deze beide dingen zullen u in een ogenblik overkomen, op één dag, de beroving van kinderen en weduwschap;31 volkomen zullen zij u overkomen, vanwege de veelheid van uw32 toverijen, vanwege de menigte van uw bezweringen.
10Want u hebt op uw boosheid vertrouwd; u hebt gezegd: Niemand ziet mij;33 uw wijsheid en uw wetenschap heeft u34 afkerig gemaakt; en u hebt in uw hart gezegd: Ik ben het, en niemand meer dan ik.
11Daarom zal er over u een kwaad komen, u zult35 de dageraad daarvan niet weten; en een verderf zal er op u vallen,36 dat u niet zult kunnen verzoenen; want er zal snel een onstuimige verwoesting over u komen, dat u het niet weten zult.
12Sta nu met uw bezweringen, en met de veelheid van uw37 toverijen, waarin u gewerkt hebt van uw jeugd af;38 of u misschien voordeel kon doen, of u misschien u kon sterken.
13U bent moe geworden in de veelheid van uw raadslagen; laat nu opstaan,39 die de hemel waarnemen, die in de sterren kijken,40 die naar de nieuwe manen voorzeggen; en laat ze u verlossen van die dingen, die over u komen zullen.
14Ziet,41 zij zullen zijn als stoppelen, het vuur zal ze verbranden, zij zullen42 zichzelf niet kunnen rukken43 uit de macht44 van de45 vlam; het zal geen kool zijn om bij te warmen, geen vuur om daarvoor neer te zitten.
15Zo zullen zij u zijn,46 met die u gewerkt hebt,47 uw handelaars van uw jeugd aan, elk zal48 zijns weegs dwalen, niemand zal u verlossen.