Jesaja 46
11 Bel is gekromd,2 Nebo wordt neergebogen,3 hun4 afgoden5 zijn geworden voor de dieren en voor de beesten;6 uw opgeladen pakken zijn een last voor de vermoeide beesten.
27 Samen zijn zij neergebogen, zij zijn gekromd,8 zij hebben de last niet kunnen redden, maar9 zijzelven10 zijn in de gevangenis gegaan.
3Hoor naar Mij, o huis van Jakob, en het hele overblijfsel van het huis van Israël!11 u die van Mij gedragen bent12 van de buik aan, en opgenomen13 van de baarmoeder af.
4En14 tot de ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja, tot de grijsheid toe zal Ik15 u dragen; Ik heb het gedaan, en Ik zal u opnemen, en Ik zal dragen en16 redden.
5a Wie zou u Mij nabeelden, en gelijkenis maken, en Mij vergelijken, dat wij elkaar gelijken zouden?
617 Zij18 verkwisten het goud uit de beurs, en wegen het zilver met19 de waag; zij huren20 een goudsmid, en die maakt het21 tot een god, zij knielen neer, ook buigen zij zich daarvoor.
7b Zij nemen hem op de schouder, zij dragen hem, en zetten hem22 aan zijn plaats; daar staat hij, hij wijkt van zijn stede niet; ja, roept iemand tot hem, zo antwoordt hij niet, hij verlost23 hem niet uit zijn benauwdheid.
8Gedenkt24 hieraan, en25 houdt u kloekelijk,26 brengt het weer in het27 hart, o u overtreders!
9Gedenk28 van de vorige dingen29 van oude tijden af, dat Ik God ben,c en er is geen God meer, en er is niet30 gelijk Ik;
10Die van de beginne aan verkondigt het einde, en van ouds af die dingen, die nog niet geschied zijn; Die zegt: Mijn raad zal bestaan, en Ik zal al Mijn welbehagen doen.
11Die32 een roofvogel roept33 van het oosten,34 een man van Mijn raad uit ver land; ja, Ik heb het gesproken, Ik zal het ook doen komen; Ik35 heb het gevormd, Ik zal het ook doen.
12Hoort naar Mij,36 u stijven van hart,37 u, die verre van de gerechtigheid bent!
1338 Ik39 breng Mijn gerechtigheid nabij, zij zal niet verre wezen, en40 Mijn heil zal niet vertoeven; maar Ik zal heil geven in Sion,41 aan Israël Mijn heerlijkheid.