Jesaja 42
11 Ziet, Mijn Knecht,2 Die Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Die Mijna ziel een welbehagen heeft!b Ik heb3 Mijn geest op Hem gegeven;4 Hij zal het recht5 de heidenen6 voortbrengen.
2Hij zal niet7 schreeuwen, noch Zijn stem verheffen, noch Zijn stem op de straat horen laten.
38 Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en9 de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen;10 met waarheid zal Hij het recht11 voortbrengen.
412 Hij zal niet verdonkerd worden, en13 Hij zal niet verbroken worden,14 voordat Hij15 het recht op aarde zal hebben besteld; en16 de eilanden zullen naar17 Zijn leer wachten.
5Zo zegt God, JAHWEH, Die de hemelen geschapen, en18 dezelfde uitgebreid heeft, Die de aarde uitgespannen19 heeft, en20 wat daaruit voortkomt; Die de volk, dat daarop is, de adem geeft, en21 de geest van hen, die daarop wandelen:
6Ik, JAHWEH, heb22 u23 geroepen24 in gerechtigheid, en25 Ik zal u bij uw hand grijpen; en26 Ik zal u behoeden, en Ik zal u geven27 tot een Verbond van het28 volk, tot een Licht van de heidenen.
7Om29 te openen30 de blinde ogen, om de gebondenen31 uit te voeren uit de gevangenis, en uit het gevangenhuis, die in32 duisternis zitten.
8Ik ben33 JAHWEH, dat is Mijn Naam; en Mijn eer zal Ik geen andere geven, noch Mijn lof de gesneden beelden.
9Ziet,34 de voorgaande dingen zijn gekomen, en nieuwe dingen verkondig Ik; voordat zij uitspruiten, doe Ik u die horen.
10Zing JAHWEH35 een nieuw lied, Zijn lof36 van het einde van de aarde; u,37 die ter zee vaart, en38 al wat daarin is, u eilanden en hun inwoners.
11Laat de woestijn en39 haar steden de stem verheffen, met40 de dorpen, die Kedar bewoont; laat hen41 juichen, die in de rotsstenen wonen,42 en van de top van de bergen af schreeuwen.
12Laat ze JAHWEH de eer geven, en Zijn lof in de eilanden verkondigen.
1343 JAHWEH44 zal uittrekken als een held; Hij zal de ijver opwekken als een soldaat; Hij zal juichen, ja,45 Hij zal een groot getier maken; Hij zal Zijn vijanden overweldigen.
1446 Ik heb van ouds gezwegen,47 Ik heb Mij stil gehouden en Mij ingehouden; Ik zal uitschreeuwen, als een, die baart, Ik zal ze verwoesten, en samen opslokken.
1548 Ik zal bergen en heuvelen woest maken, en al hun gras zal Ik doen verdorren; en Ik zal de rivieren tot eilanden maken, en de poelen uitdrogen.
16En Ik zal49 de blinden50 leiden51 door de weg, die zij niet geweten hebben, Ik zal ze doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken, en het kromme tot recht; deze dingen zal Ik hun doen, en Ik zal hen niet verlaten.
17Maar die zich op gesneden beelden verlaten, die tot de gegoten beelden zeggen: U bent onze goden; die zullen achteruit keren,52 en met schaamte beschaamd worden.
1853 Hoor, u doven! en schouwt aan, u blinden! om te zien.
19Wie is er blind54 als Mijn knecht, en doof, gelijk55 Mijn bode,56 die Ik zend? Wie is blind, gelijk57 de volmaakte, en blind, gelijk de knecht van JAHWEH?
20U ziet58 wel veel dingen, maar u bewaart ze niet; of59 schoon hij de oren opendoet,60 zo hoort hij toch niet.
21JAHWEH had lust6162 aan hem, omwille van Zijn gerechtigheid; Hij maakte hem groot63 door de wet, en Hij maakte hem heerlijk.
22Maar nu is het een beroofd en geplunderd volk; zij zijn allen verstrikt in de holen, en verstopt in de gevangenhuizen; zij zijn tot een roof geworden, en er is niemand, die ze redt; tot een plundering, en niemand zegt: Geeft ze weer.
23Wie onder u neemt dat ter oren? Wie merkt op en hoort,68 wat hierna zijn zal?
24Wie heeft69 Jakob tot een plundering overgegeven, en Israël de rovers?70 Is het niet JAHWEH, Hij, tegen Wie wij gezondigd hebben? Want zij wilden niet wandelen in Zijn wegen, en zij hoorden niet naar Zijn wet.
25Daarom heeft Hij over hen uitgestort72 de woede van Zijn toorn en73 de macht van de oorlog; en Hij heeft ze rondom in vlam gezet, maar74 zij merken het niet; en Hij heeft75 ze in brand gestoken, maar zij nemen het niet ter hart.