Jesaja 41
11 Zwijgt voor Mij,2 u eilanden! en3 laat de volken de kracht vernieuwen; laat ze toetreden, laat ze dan spreken; laat ons samen ten gerichte naderen.
2Wie heeft4 van de opgang5 die rechtvaardige6 verwekt? heeft hem geroepen7 op zijn voet?8 de heidenen voor zijn aangezicht gegeven, en9 gemaakt, dat hij over koningen10 heerste? heeft ze zijn zwaard gegeven als stof, zijn boog als een voortgedreven stoppel?
3Dat hij ze nastreefde en doortrok met vrede, door een pad, dat hij met zijn voeten11 niet gegaan had?
4Wie heeft dit gewerkt en gedaan,12 roepende de geslachten13 van de beginne? Ik, JAHWEH,a Die de Eerste ben, en14 met de Laatste ben Ik Dezelfde.
515 De eilanden zagen het, en zij vreesden;16 de einden van de aarde beefden; zij naderden en kwamen toe;
6De één hielp de ander, en zei tot zijn metgezel: Wees sterk!
7En de werkmeester20 versterkte21 de goudsmid; die met de hamer glad maakt, die,22 die op het aambeeld slaat, zeggende van het soldeersel: Het is goed; daarna maakt23 hij het vast met nagelen, dat het niet wankele.
8Maar24 u, Israël, Mijn knecht!25 u Jakob,b die Ik gekozen heb!26 het zaad van27 Abraham,c Mijn liefhebber!
9U, welke Ik gegrepen heb van de einden van de aarde, en uit haar bijzonderste geroepen heb; en zei tot u: U bent Mijn knecht; u heb Ik uitverkoren, en heb u niet verworpen.
10Vrees niet, want Ik ben met u;32 bent niet verbaasd, want Ik ben uw God; Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u33 met de rechterhand van Mijn gerechtigheid.
11Ziet,d zij zullen beschaamd en te schande worden, allen, die tegen u34 ontstoken zijn; zij zullen worden als niet,35 en die mensen, die met u twisten, zullen vergaan.
12U zult hen zoeken, maar zult hen niet vinden; de mensen, die met u kijven, zullen worden als niet, en die mensen, die met u oorlogen, als een nietig ding.
13Want Ik, JAHWEH, uw God, grijp uw rechterhand aan, Die tot u zeg: Vrees niet, Ik help u.
14Vrees niet, u wormpje Jakobs, u volkje van Israël! Ik help u, spreekt JAHWEH, en uw3637 Verlosser is de Heilige van Israël!
15Ziet,38 Ik heb u tot een39 scherpe nieuwe dorsslede gesteld,40 die scherpe pinnen heeft;41 u zult bergen dorsen en vermalen, en heuvelen zult u stellene gelijk kaf.
16U zult ze wannen, en de wind zal ze wegnemen, en de stormwind zal ze verstrooien; maar u zult u verheugen42 in JAHWEH;43 in de Heilige van Israël zult u u roemen.
1744 De ellendigen en armen zoeken45 water, maar46 er is geen, hun tongf versmacht van dorst; Ik, JAHWEH zal hen verhoren, Ik, de God van Israël, zal hen niet verlaten.
18Ikg zal47 rivieren op de hoge plaatsen openen, en fonteinen in het midden vanh de valleien;48 Ik zal de woestijn tot een waterpoel zetten, en het dorre land tot watertochten.
1949 Ik zal in de woestijn de cederboom,50 de sittimboom, en de mirteboom, en de olieachtigen boom zetten; Ik zal in de wildernis stellen de denneboom,51 de beuk, en52 de busboom te gelijk;
20Opdat zij zien, en bekennen, en53 overleggen, en te gelijk verstaan, dat de hand van JAHWEH54 dat gedaan, en dat de Heilige van Israël dat geschapen heeft.
21Breng uw rechtszaak voor, zegt JAHWEH; breng uw vaste bewijsredenen bij, zegt de Koning56 van Jakob.57
22Laat hen voortbrengen en59 ons verkondigen de dingen, die gebeuren zullen;60 verkondigt61 de vorige dingen, welke die geweest zijn, opdat wij62 het ter hart nemen, en63 het einde daarvan weten; of64 doet ons de toekomende dingen horen.
23Verkondigt dingen, die hierna komen zullen, opdat wij weten, dat u goden bent; ja, doet goed, en doet kwaad, dat wij verbaasd staan, en66 samen toezien.
24Zie, u bent minder dan niet, en uw werk is erger dan een adder; hij is een gruwel, die u verkiest.68
25Ik verwek één van het noorden, en hij zal opkomen van de opgang van de zon; hij zal Mijn Naam aanroepen; en70 hij zal komen over de71 overheden als over leem, en gelijk een pottenbakker het72 slijk73 treedt.
26Wie heeft wat75 verkondigd van de beginne aan, dat wij het weten mogen, of76 van te voren, dat wij zeggen mogen:77 Hij is78 rechtvaardig;79 maar er is niemand, die het verkondigt, ook niemand, die wat horen doet, ook80 niemand,81 die uw woorden hoort.
27Ik, de Eerste zeg tot Sion: Zie,83 zie ze daar! en tot Jeruzalem: Ik zal een84 blijden boodschapper geven.85
28Want Ik zag toe, maar er was niemand,87 zelfs onder deze,88 maar er was geen raadgever, dat Ik hen zou vragen, en zij Mij antwoord geven zouden.
29Ziet, zij zijn allemaal zinloosheid, hun werken zijn een nietig ding, hun90 gegoten beelden zijn wind, en een ijdel ding.