Jesaja 28

11 Wee de hoogmoedige kroon van de2 dronkenen van Efraïm, waarvan het heerlijk sieraad3 is een afvallende bloem,4 die5 daar is op het hoofd van de zeer vette vallei, van6 de geslagenen van de wijn. 2Ziet, de Heere heeft7 een sterke en machtige, er is gelijk een hagelvloed,8 een poort van het verderf; gelijk een vloed van9 de sterke wateren; die overvloeien, zal Hij ze ter aarde neerwerpen10 met de hand. 311 De hoogmoedige kronen van de dronkenen van Efraïm zullen met voeten vertreden worden. 4En de afvallende bloem12 van zijn heerlijken sieraads, die op het hoofd van de zeer vette vallei is, zal zijn gelijk een13 vroegrijpe vrucht14 voor de zomer, die,15 wanneer ze iemand16 ziet, terwijl zij nog in zijn hand is,17 slokt hij ze op. 518 Te die dage zal JAHWEH van de legermachten19 tot een heerlijke Kroon en tot een sierlijken Krans zijn20 de overgeblevenen van Zijn volk; 6En tot een Geest van het oordeel21 die, die tot het oordeel zit, en22 tot een sterkte van hen, die de strijd afkeren tot de poort toe. 7Ena ook dwalen23 deze24 van de wijn, en zij dolen van de sterke drank; de25 priester en26 de profeet dwalen van de sterke drank;27 zij zijn verslonden van de wijn, zij dolen van sterke drank;28 zij dwalen in het visioen;29 zij waggelen in het gericht. 8Want alle tafels30 zijn vol van31 uitspuwsel32 en van mest, zodat er geen plaats schoon is. 9Wie zou33 Hij34 dan de kennis leren, en wie zou Hij35 het gehoorde te verstaan geven?36 De gespeenden van de melk, de afgetrokkenen van de borsten? 10Want37 het is gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig. 1138 Daarom zal Hij39 door belachelijke lippen, en door40 eenb andere tong tot dit volk spreken; 12Tot41 die42 Hij gezegd heeft:43 Dit is de rust, geeft de moeden rust, en dit is de verkwikking; maar zij hebben niet willen horen. 1344 Zo zal hun het woord van JAHWEH zijn; gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig;45c opdat zij heengaan, en achteruit vallen, en verbreken, en verstrikt en gevangen worden. 14Daarom, hoort het woord van JAHWEH,46 u bespotters, u heersers over dit volk, dat te Jeruzalem is! 15Omdat u zegt: Wij hebben een verbond met de dood gemaakt, en met het dodenrijk hebben wij een voorzichtig verdrag gemaakt; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal, zal hij tot ons niet komen; want wij hebben de leugen ons tot een toevlucht gesteld, en onder de valsheid hebben wij ons verborgen. 16Daarom, zo zegt de Adonai JAHWEH: Zie, Ik leg een grondsteen in Sion, een beproefden steen, een kostelijke hoeksteen, die wel vast gegrondvest is; wie gelooft, die zal niet haasten. 17En58 Ik zal het gericht stellen naar het richtsnoer, en de gerechtigheid naar het paslood; en59 de hagel zal60 de toevlucht van de61 leugen wegvagen, en de wateren zullen de schuilplaats62 overlopen. 18En uw verbond met de dood63 zal te niet worden, en uw voorzichtig verdrag64 met het dodenrijk zal niet bestaan; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal,65 dan zult u daarvan vertreden worden. 19Van de tijd af, als66 hij doortrekt, zal hij67 u wegnemen, want68 elke morgen zal hij doortrekken, bij dag en bij nacht; en het zal gebeuren, dat het69 gerucht te verstaan, enkel beroering wezen zal. 2070 Want het bed zal korter zijn, dan dat men zich daarop uitstrekken kunne; en het deksel zal te smal wezen, als men zich71 daaronder voegt. 21Want JAHWEH zal Zich opmaken, gelijk op de berg72 Perazim,73 Hij zal beroerd zijn, gelijk74 in het dal van Gibeon, om Zijn werk te doen,75 Zijn werk zal vreemd zijn; en om Zijn daad te doen, Zijn daad zal vreemd zijn! 22Nu dan, drijft de spot niet, opdat76 uw banden niet vaster gemaakt worden; want ik heb van de Adonai JAHWEH van de legermachten gehoord een vernietiging, ja, een, die77 vast besloten is over het hele land. 23Neemt ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede! 2478 Ploegt de ploeger79 de heel dag om te zaaien?80 Opent en egt hij zijn land de heel dag? 25Is het niet zo? Wanneer hij81 het bovenste van hetzelfde effen gemaakt heeft, dan strooit hij82 wikken, en83 spreidt komijn, of hij werpt er van de84 beste tarwe in, of85 uitgelezen gerst, of spelt, elk aan86 zijn plaats. 26En zijn God87 onderricht hem88 van de wijze, Hij leert hem. 27Want men dorst de wikken niet89 met de dorswagen, en men laat het wagenrad niet rondom over het komijn gaan; maar de wikken slaat men uit met een staf, en het komijn met een stok; 2890 Het broodkoren moet verbrijzeld worden, maar91 hij dorst het niet92 steeds dorsende;93 noch hij breekt het met het wiel zijn wagens, noch hij verbrijzelt het met zijn paarden. 2994 Dat komt ook voort van JAHWEH van de legermachten; Hij95 is wonderlijk van raad,96 Hije is groot van daad.