Jesaja 22

11 De last van2 het dal van het3 visioen. Wat is u nu,4 dat u altegader op de daken klimt? 25 U, die vol van groot gedruis was, u woelige stad, u, vrolijk huppelende6 stad,7 Uw verslagenen zijn niet verslagen met het zwaard, noch gestorven in de strijd. 3Al uw oversten zijn samen8 weggevlucht; zij zijn van de9 schutters gebonden,10 allen, die in u gevonden zijn, zijn samengebonden, zij11 zijn van verre gevlucht. 4Daarom zeg ik:12 Wend het gezicht van mij af;13a laat mij bitter14 huilen; dring niet aan, om mij te troosten over de verstoring15 van de dochters van mijn volk. 5Want het is een dag16 van beroering, en van vertreding, en van verwarring17 van de Heere, JAHWEH van de legermachten, in18 het dal van19 het20 visioen, een dag van ontmuring van de muurs, en21 van geschreeuw naar het gebergte toe. 6Want22 Elam heeft de pijlkoker genomen,23 de man is op de wagen, er zijn ruiters; en24 Kir25 ontbloot het schild. 7En het zal gebeuren, dat26 uw27 uitgelezen dalen vol wagens zullen zijn, en dat de ruiters zich28 zeker zullen zetten29 ter poorten aan. 8En30 hij31 zal32 het deksel van Juda ontdekken; en op die dag zult33 u34 zien naar de wapens35 in het huis van het woud. 9En u zult36 bezien de reten37 van de stad van David, omdat zij vele zijn; en u zult de wateren van38 de onderste vijvers verzamelen. 10U zult ook39 de huizen van Jeruzalem tellen; en u zult huizen afbreken, om de muren te bevestigen. 11Ook zult u een40 gracht maken41 tussen beide de muren, voor de wateren42 van de oude vijvers; maar u zult niet43 opwaarts zien op Die, Die dat gedaan heeft, noch beschouwen Die, Die dat van verre tijden gevormd heeft. 12En44 op die dag zal de Heere, JAHWEH van de legermachten,45 roepen tot geween, en tot klaagzang, en46 tot kaalheid, en tot omgording van de zaks. 13Maar ziet,b er is vreugde en blijdschap met runderen te doden, en schapen te kelen, vlees te eten, en wijn te drinken,47c en te zeggen: Laat ons eten en drinken,48 want morgen zullen wij sterven. 14Maar JAHWEH van de legermachten heeft Zich voor mijn oren geopenbaard, zeggende: Als u deze ongerechtigheid verzoend wordt, totdat u sterft! zegt de Heere, JAHWEH van de legermachten. 15Zo zegt de Heere, JAHWEH van de legermachten: Ga heen, ga in tot die schatmeester, tot Sebna, de hofmeester, en spreek: 1655 Wat hebt u56 hier, of wie hebt u hier, dat u u hier een graf57 uitgehouwen hebt als die zijn graf in de hoogte uithouwt, die een woning voor zich op een rotssteen laat aftekenen? 17Zie, JAHWEH zal u wegwerpen met een mannelijke wegwerping, en58 Hij zal u geheel overdekken. 1859 Hij60 zal u zeker voortrollen, gelijk men een bal rolt,61 in een land, wijd van begrip; daar zult u sterven, en daar zullen62 uw heerlijke wagens zijn,63 o u schandvlek van het huis van uw heren! 19En64 Ik zal u afstoten van uw staat, en van uw stand zal65 Hij u66 verstoren. 20En het zal op die dag gebeuren, dat Ik Mijn knecht, Eljakim, de zoon van Hilkia, roepen zal. 21En Ik zal hem67 met uw rok bekleden, en Ik zal hem met uw68 gordel69 sterken, en uw70 heerschappij zal Ik in zijn hand geven; en hij zal de inwoners te Jeruzalem en het huis van Juda tot een vader zijn. 22En Ik zal71 de sleutel van het huis van David op zijn schouder72 leggen; en73 hij zal opendoen, en niemand zal sluiten, en hij zal sluiten, en niemand zal opendoen. 23En Ik zal hem74 als een nagel inslaan in een vaste plaats; en hij zal wezen75 tot een stoel van de eer voor het huis van zijn vader. 24En men zal76 aan hem hangen alle heerlijkheid van het huis van zijn vader,77 van de78 uitspruitelingen en van de afkomelingen,79 ook alle kleine vaten, van de vaten van de bekers af, zelfs tot al de vaten80 van de flessen. 25Te die dage, spreekt JAHWEH van de legermachten, zal81 die nagel,82 die aan een vaste plaats gestoken was, weggenomen worden; en hij zal afgehouwen worden, en hij zal vallen, en de last,83 die daaraan is,84 zal afgesneden worden; want JAHWEH heeft het gesproken.