Jesaja 21
11 De last2 van de woestijn aan de zee. Gelijk de wervelwinden in het zuiden3 heen doorgaan, zal4 hij5 uit de woestijn komen, uit6 een vreselijk land.
27 Een hard visioen is mij te kennen gegeven:8 die trouweloze handelt trouweloos, en die verstoorder verstoort;9 trek op,10 o Elam!11 beleger12 ze, o Media!13 Ik heb al14 haar zuchting doen ophouden.
315 Daarom zijn mijn lendenen vol van grote ziekte, bange weeën hebben mij aangegrepen, gelijk de bange weeën van een, die baart; ik krom mij16 van horen, ik word ontsteld van het aanzien.
417 Mijn hart dwaalt, gruwen verschrikt mij,18a de schemering,19 waar ik naar verlangd heb,20 stelt21 Hij mij tot beving.
522 Bereid de tafel,23 zie toe, u24 wachter! eet, drink;25 maakt u op, u vorsten,26 bestrijkt het schild!
627 Want zo heeft de Heere tot mij gezegd: Ga heen,28 zet een wachter, laat hem29 aanzeggen, wat hij ziet.
7En30 hij zag31 een wagen, een paar ruiters,32 een wagen met ezels, een wagen met kameels; en33 hij merkte zeer nauw op, met grote opmerking.
8En hij riep: Een leeuw, Heere! ik sta op de wachttoren steeds bij dag, en op mijn hoede zet ik mij hele nachten.
9En zie nu, daar komt een wagen mannen, en een paar ruiters! Toen antwoordde hij, en zei: Babel is gevallen, zij is gevallen! en al de gesneden beelden haar goden heeft Hij verbroken tegen de aarde.
1042 O mijn dorsing, en43 de tarwe van mijn dorsvloer! wat ik gehoord heb van JAHWEH van de legermachten, de God van Israël, dat heb ik u aangezegd.
11De last van Duma. Men roept tot mij uit Seïr: Wachter! wat is er van de nacht? Wachter! wat is er van de nacht?
12De wachter zei: De morgenstond is gekomen, en het is nog nacht; wilt u vragen, vraagt; keert weer, komt.
13De last tegen Arabië.57 In het woud van Arabië zult u overnachten, o u reizende58 gezelschappen van Dedanieten!
14Kom de59 dorstige tegemoet met water; de inwoners60 van het land van Thema zijn61 de vluchtende62 met zijn brood bejegend.
15Want zij vluchten63 voor de zwaarden, voor het uitgetrokken zwaard, en voor de gespannen boog, en voor de zwarigheid van de oorlogs.
16Want zo heeft JAHWEH tot mij gezegd:64 Nog binnen een jaar,65 gelijk de jaren van een dagloner zijn, zo zal66 de heerlijkheid67 van Kedar ten ondergaan.
17En het overgebleven getal68 van de schutters,69 de helden van de Kedarenen, zullen70 minder worden, want JAHWEH, de God van Israël heeft het gesproken.