Hosea 2

11 Twist tegen uw2 moeder, twist, omdat zij Mijn3 vrouw niet is, en Ik haar Man niet ben; en laat ze4 haar hoererijen van haar aangezicht, en haar overspelerijen van tussen haar borsten wegdoen. 2Opdat Ik ze niet naakt5 uitstrope, en zette ze als op de dag toen zij6 geboren werd; ja,7 make ze als een woestijn, en zette ze als een8 dor land, en dode ze door9 dorst; 3(En Mij haar10 kinderen niet ontferme, omdat zij11 kinderen van de hoererijen zijn. 4Want hun moeder hoereert, die hen ontvangen heeft, handelt schandelijk; want zij zegt: Ik zal mijn minnaars nagaan, die mij mijn brood en mijn water, mijn wol en mijn vlas, mijn olie en mijn drank geven. 5Daarom, ziet, Ik zal uw weg met doornen betuinen, en Ik zal een heiningmuur14 maken, dat zij haar15 paden niet zal vinden. 6En zij zal haar minnaars16 nalopen, maar hen niet aantreffen; en zij zal hen zoeken, maar niet vinden; dan zal zij zeggen: Ik zal heengaan, en keren weer tot mijn vorige17 Man, want toen was mij beter dan nu. 7Zij18 bekent toch niet, dat Ik haar het19 koren, en de jonge wijn, en de olie gegeven heb, en haar het zilver en goud vermenigvuldigd heb, dat zij tot de Baäl20 gebruikt hebben. 8Daarom zal Ik terugkomen, en21 Mijn koren wegnemen22 op zijn tijd, en Mijn jonge wijn op zijn gezetten tijd; en Ik zal23 wegrukken Mijn wol en Mijn vlas, dienende om haar naaktheid te bedekken. 9En nu zal Ik haar24 dwaasheid ontdekken voor de ogen haar minnaars; en niemand zala haar uit Mijn hand verlossen. 10En Ik zal doen ophouden al haar vrolijkheid, haar25 feesten, haar nieuwe maanden, en haar sabbatten, ja, al haar vastgestelde hoogtijden. 11En Ik zal verwoesten haar wijnstok en haar vijgeboom, waarvan zij zegt: Deze zijn mij een hoerenloon, dat mij mijn minnaars gegeven hebben; maar Ik zal ze stellen tot een woud, en het wild gedierte van het veld zal ze vreten. 12En Ik zal over haar28 bezoeken de dagen van de29 Baäls, waarin zij die gerookt heeft, en zich versierd met haar30 voorhoofdsiersel, en haar31 halssieraad, en is haar minnaars nagegaan, maar heeft Mij vergeten, spreekt JAHWEH. 1332 Daarom, ziet, Ik zal33 haar lokken, en34 zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar35 hart spreken. 1436 En Ik zal haar geven haar wijngaarden van37 daar af, en het dal38 Achor, tot een deur van de hoop; en daar zal zij zingen, als in de dagen haar jeugd, en als op de dag toen zij optoog uit Egypteland. 15En het zal op die dag gebeuren, spreekt JAHWEH, dat u Mij noemen zult: Mijn Man; en Mij niet meer noemen zult: Mijn39 Baäl! 16En Ik zal de namen van de Baäls van haar40 mond wegdoen; zij zullen niet meer bij hun namen gedacht worden. 17En Ik zal op die dag een verbond41 voor hen maken met hetc wild gedierte van het veld, en met het gevogelte van de hemel, en het kruipend gedierte van de aardbodem; en Ik zal de boog, en het zwaard, en de42 oorlog van de aarde verbreken, en zal hen in zekerheid doen43 neerliggen. 18En Ik zal u Mij44 ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen45 in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden. 19(En Ik zal u Mij46 ondertrouwen in47 geloof;d en u zult JAHWEH kennen. 20(En het zal op die dag gebeuren, dat Ik verhoren zal, spreekt JAHWEH; Ik zal de hemel48 verhoren, en die zal de aarde verhoren. 21En de aarde zal het koren verhoren, en ook de jonge wijn en de olie; en die zullen49 Jizreël verhoren. 22En Ik zal ze Mij op de aarde50 zaaien, en zal Mij ontfermen over51 Lo-ruchama; en Ike zal zeggen tot52 Lo-ammi:53 U bent Mijn volk; en54 dat zal zeggen:55 O, mijn God!