Habakuk 2
11a Ik stond op mijn wacht, en ik stelde mij op de vesting, en ik hield wacht om te zien, wat2 Hij3 in mij4 spreken zou, en5 wat ik antwoorden zou op mijn bestraffing.
2Toen antwoordde mij JAHWEH, en zei: Schrijf het visioen, en stel het duidelijk op tafelen, opdat daarin leze die voorbijloopt.
3Want8 het visioen zal nog tot een bestemden tijd zijn, dan zal9 Hij10 het11 op het12 einde voortbrengen, en13 niet liegen; zo14 Hij wacht, verbeid15 Hem, want16 Hij zal17 zeker komen,18 Hij zal niet19 achterblijven.
4Ziet,20 zijn21 ziel22 verheft zich, zij is23 niet recht in hem; maar24 de rechtvaardige zal25 door zijn geloof26 leven.
5En ook omdat27 hij28 trouweloos handelt bij de wijn,29 een trots man is, en in zijn woning30 niet blijft; die zijn ziel wijd opendoet31 als het graf, en gelijk de dood is, die niet zat wordt, en32 tot zich verzamelt al de heidenen, en verzamelt tot zich alle volken.33
634 Zouden dan niet35 zij allen36 van hem een spreekwoord opnemen, en37 een uitlegging van de raadselen van hem? En38 men zal zeggen: Wee die,39 die vermeerdert wat het zijne niet is40 (hoe lange!), en die, die op zich laadt41 dik slijk.
742 Zullen niet43 onvoorziens opstaan, die44 u bijten zullen, en ontwaken, die u zullen45 bewegen, en zult u hun niet tot46 plundering worden?
8Omdat u vele heidenen beroofd hebt, zo zullen alle overgeblevene volken47 u beroven; om het bloed48 van de mensen, en het geweld aan49 het land,50 de stad, en51 alle inwoners daarvan.
9Wee die,52 die met kwade gierigheid giert voor zijn53 huis, opdat hij in de hoogte zijn nest stelle,54 om bevrijd te zijn55 uit de hand van het kwaad.
1056 U hebt schaamte beraadslaagd voor uw huis;57 uitroeiende vele volken, zo hebt u gezondigd58 tegen uw ziel.
11Want59 de steen uit de muur60 roept, en61 de balk uit het hout antwoordt62 die.
12Wee die, die de stad63 met bloed bouwt, en die de stad64 met onrecht65 bevestigt!
13Ziet,66 is het niet van JAHWEH van de legermachten, dat de volken67 arbeiden68 ten vure, en de mensen zich69 vermoeien tevergeefs?
14Want de aarde zal vervuld worden, dat zij70 de heerlijkheid van JAHWEH bekennen,71 gelijk de wateren de bodem van de zee bedekken.
15Wee die,72 die zijn73 naaste te drinken geeft, u, die uw74 wijnfles daarbij voegt, en ook dronken75 maakt, opdat u hun naaktheden aanschouwt.
1676 U zult ook verzadigd worden met schande, voor eer;77 drinkt u ook, en ontbloot de voorhuid;78 de beker79 van de rechterhand van80 JAHWEH zal zich tot u wenden, en81 er zal een schandelijk uitbraaksel over uw heerlijkheid zijn.
17Want het geweld,82 dat tegen Libanon begaan is,83 zal u bedekken, en84 de verwoesting van de beesten zal ze verschrikken, vanwege het bloed van de mensen, en van het geweld in het land, de stad en aan alle inwoners daarvan.85
1886 Wat zal het gesneden beeld baten, dat zijn formeerder het gesneden heeft? of het gegoten beeld,87 dat een leugenleraar is,88 dat de formeerder op zijn formeersel vertrouwt, als hij stomme afgoden gemaakt heeft?
19Wee die, die tot het hout zegt: Word wakker! en: Ontwaak! tot de zwijgenden steen. Zou het leren? Ziet, het is met goud en zilver overtrokken, en er is geheel geen geest in het midden daarvan.
20Maar96 JAHWEH is97 in Zijn heilige tempel.98 Zwijg voor Zijn aangezicht,99 u hele aarde!