Habakuk 1
Boekinleiding
lees meer ▾
DE Profeet Habakuk voorzegd, dat God besloten heeft de Joden, van wegen haar leelijke en menichvuldige zonden, te laten vervallen in de handen van de Chaldeen, maar alzo, dat die ook zelfs, van wegen ...
DE Profeet Habakuk voorzegd, dat God besloten heeft de Joden, van wegen haar leelijke en menichvuldige zonden, te laten vervallen in de handen van de Chaldeen, maar alzo, dat die ook zelfs, van wegen haar zonden en boosheden, van God zouden gestraft worden. De Profeet voecht hier bij een zeer beweechlijk gebed, God de JAHWEH biddende, dat de elende die de volk van Israël en Iuda over kwam, mochte zijn een vaderlijke castijding, niet een eindelijke uitroeiing, hfst. 3. Wij en kunnen niet sekerlijk weten wanneer dat Habakuk geleeft en geprofeetert hebbe: verscheidene Geleerde menen, dat hij geprofeetert heeft ten tijde van de na-saten van Iozia, of ten tijde Manas, omdat de zonden die hij bestraft, zeer wel over een komen, met de zonden Manassis en van de volks in die tijden levende. Immers blijkt het, uit hfst. 1. vers. 6. dat hij geleeft en geprofeetert heeft, eer Jeruzalem van Nebucadnezar is verheert geworden: Uit deze Profeet worden enige spreuken in het Nieuwe Testament aangetogen, als Hand. 13:41. en Rom. 1:17. Gal. 3:11. als ook Hebr. 10:38.
11 De last, die Habakuk, de profeet,2 gezien heeft.
2JAHWEH! hoe lang schreeuw ik, en U hoort niet, hoe lang3 roep ik geweld, tot U, en U verlost niet!
3Waarom laat U mij ongerechtigheid zien, en aanschouwt de4 kwelling? Want verwoesting en geweld is5 tegen mij over, en6 er is twist, en7 men neemt gekijf op.
4Daarom wordt de wet8 onderlaten, en het recht9 komt nimmermeer voort; want10 de goddeloze omringt de rechtvaardige; daarom11 komt het recht verdraaid voor.
512 Ziet onder de heidenen, en aanschouwt, en verwondert u, verwondert u, wanta Ik werk een werk13 in uw dagen, dat u niet geloven zult,14 als het verteld zal worden.
6Want ziet, Ik verwek de Chaldeeën, een bitter en15 snel volk, trekkende16 door de breedten van de aarde,17 om erfelijk te bezitten woningen, die de zijne niet zijn.
7Schrikkelijk en vreselijk is18 het;19 zijn recht en zijn hoogheid gaat van hemzelf uit.
820 Want zijn paarden zijn21 lichter dan de luipaarden, en zij zijn22 scherper dan23 de avondwolven, en zijn ruiters verspreiden zich; ja, zijn ruiters zullen24 van verre komen, zij zullen25 vliegen26 als een adelaar, zich spoedende om te eten.
927 Het zal geheel28 tot geweld komen,29 wat zij inslorpen zullen met hun aangezichten, zullen30 zij brengen naar het oosten; en het zal31 de gevangenen verzamelen32 als zand.
10En33 hij zal34 de koningen beschimpen, en de prinsen zullen hem een belaching zijn; hij zal35 alle vesting belachen; want36 hij zal stof verzamelen, en37 hij zal ze innemen.
1138 Dan zal39 hij40 de geest veranderen, en hij zal41 doortrekken, en zich42 schuldig maken,43 houdende deze zijn kracht voor zijn God.
12Bent U niet44 van ouds af JAHWEH, mijn God,45 mijn Heilige?46 Wij zullen niet sterven; o JAHWEH!47 tot een oordeel hebt U hem gesteld, en48 o Rots! om49 te straffen, hebt U hem gegrondvest.
13U bent te rein van ogen, dan dat U50 het kwade51 zou zien, en52 de kwelling53 kunt U niet aanschouwen; waarom zou U aanschouwen54 die trouweloos handelen? Waarom zou55 U zwijgen, als56 de goddeloze die verslindt,57 die rechtvaardiger is dan hij?
14En58 waarom zou U de mensen maken, als de vissen van de zee, als het kruipend gedierte,59 dat geen heerser heeft?
1560 Hij trekt61 ze allen met de angel62 op, hij verzamelt ze in zijn garen, en hij verzamelt ze in zijn net;63 daarom verblijdt en verheugt hij zich.
1664 Daarom offert hij aan zijn garen, en rookt aan zijn net; want65 daardoor66 is zijn deel vet geworden, en zijn voedsel smoutig.
1767 Zal hij dan daarom altijd zijn garen68 leeg maken, en zal hij niet sparen, met altijd de volken69 te doden?