Genesis 1
Boekinleiding
lees meer ▾
DIT eerste Boek Mozes wordt genaamd met een woord uit de Griekse taal genomen, GENESIS, betekenend Geboorte, of, oorsprong, geslacht. Want hierin hebben wij de beginselen (die zijn als geboorten, Gen....
DIT eerste Boek Mozes wordt genaamd met een woord uit de Griekse taal genomen, GENESIS, betekenend Geboorte, of, oorsprong, geslacht. Want hierin hebben wij de beginselen (die zijn als geboorten, Gen. 2:4.) aller zichtbare, en onzichtbare dingen, van God in het begin door zijn Woord uit niet geschapen; en onder deze, van de Mensen, begaafd met Gods beeld, gesteld in het Paradijs, om gehoorzaam blijvend eeuwig te leven, waarvan de boom van de levens hem een zichtbaar teken was. Hier is de reden van de onderhouding van de Sabbaths, en ook de instelling van de huwelijk. Men vind hier het beginsel van de zonde, van de dood, en allerlei elenden, door de ongehoorzaamheid Adams en Eva in het eten van de verboden vrucht, als een geweldigen vloed over het gehele menselijke geslacht uitgestort: maar is hier ook de eerste belofte van de genade van de verlossing van de Mensen door het zaad van de vrouwe, dat God uit loutere barmhartigheid geven zou, om de kop van de Serpents (het welke de mens tot ongehoorzaamheid aangeraden had) te vermorzelen, de zonde, en de dood weg te nemen, en de verloren gaven van de gerechtigheid en van de levens weer te brengen. Wij vin den hier het eerste begin van de rechter leer, religie, en godsdienst, die met die eerste belofte voortgekomen is, en volgens van de warer Kerk, niet alleen door de dienst van Adam, van Abel, (die Kaïn vermoordde) van Seth, Enoch, Noach, en andere ijverig vergaderd, maar ook van God tot op Noach toe genadig bewaard. Daar toe zijn in dit boek de beginselen van de afvallige Kaïnieten, die met verwerping van de waarheid, vervalsing van de godsdienst, en verachting van de godsvrucht, zich van dat heilig volk afgezonderd, en ten slotte door haar grove zonden en schanden, de straf van de Zondvloed, maar met behouding van Noach en de zijn, over hen gehaald hebben. Vervolgens heeft men hier ook het begin van de herstel van de wereld na de voorgemelde straf, de afkomst van de volkeren, de eerste belofte van de roeping van de heidenen, de begin van de eerster monarchie, de verdeling van de talen, en de eerste geslachtsregisters dienende tot berekening van de tijden, en onderscheiding van de volkeren. Ondertussen is het voornaamste oogmerk Mozes aan te wijsen de wederoprichting van de Kerk, die uit het klein hoopje van Noachs huisgezin voortgecomen zijnde, na dat zij een tijt lang in het geslacht Sems was bewaard geweest, ten slotte ook tot afgoderij vervallen is. En hoewel MelchiZedek en de zijn noch een overblijfsel van de Kerk waren, het heeft nochtans Gode belieft een zeker geslacht uit de nakomelingen Sems te verkiesen; het welke hij van alle natiën afgezonderd hebbende tot zijn eigendom heiligen wilde. Tot deze ein de heeft hij uit loutere genade Abraham met zijn nakomelingen aangenomen, en hem uit Ur in Chaldeen, alwaar hij een afgodendienaar was, geroepen in het Land Kanaän, hem belovende, boven andere zo lichamelijke als geestelijke zegeningen, dat de Messias uit zijn zade geboren zou worden: en een verbond met hem makende, het welke hij door het teken van de Besnijdenis bevestigd: Isaac wordt hem geboren, in den welke hem het zaad genoemd zou worden, en niet in Ismaël, die hij tevoren uit Hagar gewonnen had, noch in de kin deren die hij na de dood van Sara gewan uit Ketura. Niet te min wordt hem bevolen zijn zoon te offeren: en hoewel God zulks niet en laat volbrengen, bewijst hij nochtans zijn gehoorzaamheid; die beloond wordt met de vernieuwing van de vorige beloften. Van Isaac komt de erfenis van de belofte op Jakob; die het recht van de eerstgeboorte van Gode toebedeeld, van Esau verkocht, en van Isaac in zijn zegen toegezegd en bevestigd wordt. Van Jakob komt ze op zijn nakomelingen; Zoals het blijkt uit zijn Profetise zegening. Dit uitvercoren geslacht heeft God doorgaans behouden bij de ware leer, en oprechte godsdienst, geregeerd door zijn woord en Geest, beschermd tegen zijn vijanden, geoefend met velerlei kruis, maar daarinne getroost door aanspraken, en geholpen door verlossingen. Ondertussen hebben haar de menselijke zwakheden, zelfs in de voornaamste, bij wijlen geopenbaard, de welke God hen om van de Messias wille, die zij door een oprecht geloof met ware bekering omhelsden, genadig heeft vergeven. Deze dingen zijn zeer levendig aan te aanschouwen, zo wel in het gene Abraham, en Isaac in Kanaän, in Egypte, en Gerar, als Jakob, en Jozef, in Kanaän, Mesopotamien, en Egypte wedervaren is. Ten slotte sterven zij, nalatende zeer overtreffelijke getuigenisn van haar geloof op de beloften Gods, niet alleen op de tijdelijke, betreffende de levende nakomelingen, maar ook op de eeuwige, betreffende haar stervende personen: wier laatste (van wiens dood in dit boek vermeldt wordt) geweest is Jozef, met wiens levens ein de dit boek ook eindigt, begrijpende de Historie van meer dan 2300 jaren.
1In1a het begin2 schiep God de3 hemel en de aarde.
2De4 aarde nu was5 woest en leeg, en duisternis was6 op de afgrond; en de7 Geest van God8 zweefde9 op de wateren.
3En God zei: Daar zij licht! en daar werd licht.
4En God12 zag het licht, dat het13 goed was; en God14 maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis.
5En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was15 het avond geweest, en het was morgen geweest, de16 eerste dag.
6En God zei: Daar zij een uitspansel in het midden van de wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren!
7En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren,20 diec onder het uitspansel zijn, en tussen de21 wateren, died boven het uitspansel zijn. En het was zo.
8En God noemde het uitspansel hemel. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de tweede dag.
9En God zei: Dat de wateren van onder de hemel in één plaats verzameld worden, en dat het droge gezien worde! En het was zo.
10En God noemde het droge aarde, en de vergadering van de wateren noemde Hij23 zeeën; en God zag, dat het goed was.
11En God zei: Dat de aarde uitschiete grasscheutjes, kruid zaadzaaiend, vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijn aard, waarvan het zaad daarin zij op de aarde! En het was zo.
12En de aarde bracht voort grasscheutjes, kruid zaadzaaiend naar zijn aard, en vruchtdragend geboomte, waarvan het zaad daarin was, naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.
13Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de derde dag.
14En God zei: Dat er lichten zijn in het uitspansel van de hemel, om scheiding te maken tussen de dag en tussen de nacht; en dat zij zijn tot tekenen en tot vastgestelde tijden, en tot dagen en jaren!
15g En dat zij zijn tot lichten in het uitspansel van de hemel, om licht te geven op de aarde! En het was zo.
16God dan maakte28 die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij van de dag, en dat29 kleine licht tot heerschappij van de nacht; ook de sterren.
17En God30 stelde ze in het uitspansel van de hemel, om licht te geven op de aarde.
18En om te heersen op de dag, en in de nacht, en om scheiding te maken tussen het licht en tussen de duisternis. En God zag, dat het goed was.
19Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vierde dag.
20En God zei: Dat de wateren overvloedig voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel van de hemel!
21En God34 schiep de grote walvissen, en alle levende35 wemelende ziel, die de wateren overvloedig voortbrachten, naar haar aard; en alle36 gevleugeld gevogelte naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.
22En God zegende ze, zeggende: Wees vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de wateren in de zeeën; en het gevogelte vermenigvuldige op de aarde!
23Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vijfde dag.
24En God zei: De aarde brenge levende zielen voort, naar haar aard, vee, en kruipend, en wild gedierte van de aarde, naar zijn aard! En het was zo.
25En God maakte het wild gedierte van de aarde naar zijn aard, en het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte van de aardbodem naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.
26En God zei: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen van de zee, en over het gevogelte van de hemel, en over het vee, en over de hele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.
27En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen.
28En God zegende hen, en God zei tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen van de zee, en over het gevogelte van de hemel, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt!
29En God zei: Zie, Ik heb u al het zaadzaaiend kruid gegeven, dat op de hele aarde is, en alle geboomte, in dat zaadzaaiend boomvrucht is; het zij u tot voedsel!
30n Maar aan al het gedierte van de aarde, en aan al het gevogelte van de hemel, en aan al het kruipende gedierte op de aarde, waarin een levende ziel is,51 heb Ik al het groene kruid tot voedsel52 gegeven. En het was zo.
31En God zag al wat Hij gemaakt had, en53 ziet,o het was zeer goed. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de zesde dag.