Amos 1
Boekinleiding
lees meer ▾
AMos, die een herder was van Thekoa, in denlande Iuda, is van God beroepen tot het prophetisch ambt, en specialijk gezonden tot de 10 stammen, of het Koninkrijk Israëls, alwaar hij onder de Koning Ier...
AMos, die een herder was van Thekoa, in denlande Iuda, is van God beroepen tot het prophetisch ambt, en specialijk gezonden tot de 10 stammen, of het Koninkrijk Israëls, alwaar hij onder de Koning Ierobeam, de zoon Ioas, neffens de Profeet Hosea, al het zelf door Gods bevel geprofeetert heeft. Na dat hij de omliggenden volkeren Gods oordelen, van wegen haar vyantschap tegen Gods volk, had vercondicht, komt hij hfst. 2. vers 4. tot Iuda, en principalijk tot Israël, welke hij in alle de volgende Hoofdstukken profeetert Gods rechtvaardige straffen, en wel uitdrukkelijk, de geheelen ondergang haars Rijks en staats, door vyants gewelt, en ook wechvoering uit haar Land en verstroying onder de heidenen, van wegen de veelheid harer grouwelijke zonden tegen d’ eerste en tweede tafel, en haar hartnekkigheid tegen alle Goddelijke bestraffingen en vermaningen tot bekering, als in de Inhoud van de Hoofdstukken is te zien: welke prophetyen door verscheidene gezichten, en verklaring van Gods macht en Majesteit bevestigd worden. Maar daarneffens belooft God een overblijfsel genadichlijk te behouden, en het Koninkrijk van de Messie I. Christus op te richten, tot zaligheid aller uitverkorene Joden en heidenen van ’t 8 vers van de 9 capit. tot aan ’t ein de.
1De1 woorden van Amos, die onder de veeherderen2 was van3 Thekoa, die hij4 gezien heeft over Israël, in de dagen van5 Uzzia, koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, zoon van Joas, koning van Israël; twee jaren voor6a de aardbeving.
2En hij zei: JAHWEH zal brullen uit Sion, en Zijn stem verheffen uit Jeruzalem; en de woningen van de herderen zullen treuren, en de hoogte van Karmel zal verdorren.
3Zo zegt JAHWEH: Om drie overtredingen van Damascus, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij Gilead met ijzeren dorswagens hebben gedorst.
4Daarom zal Ik een15 vuur in het huis van Hazaël zenden, dat zal de paleizen van Benhadad verteren.
5En Ik zal de16 grendel van Damascusc verbreken, en zal uitroeien de inwoner van17 Bikeat-aven, en die, die de18 scepter houdt, uit Beth-eden; en het volk van Syrië zal als gevangene weggevoerd worden naar19d Kir, zegt JAHWEH.
6Zo zegt JAHWEH: Om drie overtredingen van Gaza, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij Mijn volk als gevangene hebben weggevoerd met een volkomen wegvoering, om aan Edom over te leveren.
7Daarom zal Ik een vuur zenden in de muur van Gaza, dat zal haar paleizen verteren.
8En Ik zal de inwoner uitroeien uit23 Asdod, en die, die de scepter houdt, uit Askelon; en Ik zal Mijn24 hand wenden tegen Ekron, en het overblijfsel van25 de Filistijnen zal vergaan, zegt de Adonai JAHWEH.
9Zo zegt JAHWEH: Om drie overtredingen van Tyrus, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij Mijn volk met een volkomen wegvoering hebben overgeleverd aan Edom, en niet gedacht aan het verbond van de broers.
10Daarom zal Ik een vuur zenden in de muur van Tyrus, dat zal haar paleizen verteren.
11Zo zegt JAHWEH: Om drie overtredingen van Edom, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat hij zijn broers met het zwaard heeft vervolgd, en zijn barmhartigheden verdorven; en dat zijn toorn eeuwig verscheurt, en hij zijn toorn altijd behoudt.
12Daarom zal Ik een vuur zenden in33 Theman, dat zal de paleizen van34 Bozra verteren.
13Zo zegt JAHWEH: Om drie overtredingen van de kinderen van Ammon, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij de zwangere vrouwen van Gilead hebben opengesneden, om hun landpale te verwijden.
14Daarom zal Ik een vuur aansteken in de muur van39 Rabba, dat zal40 haar paleizen verteren; met een41 gejuich op de dag van de strijds, met een42 onweer op de dag van de wervelwinds.
15En hun43 koning zal gaan in de gevangenis, hij en zijn vorsten samen, zegt JAHWEH.