2 Samuel 7

11a En het gebeurde, als de koning in zijn huis2 zat, en JAHWEH hem rust gegeven had van al zijn3 vijanden rondom, 2Zo zei de koning tot de profeet Nathan: Zie toch, ik woon in een cederen huis, en de ark van God woont in het midden van de gordijnen. 3En Nathan zei tot de koning: Ga heen, doe al wat in uw hart is, want JAHWEH is met u. 4Maar het gebeurde in deze nacht, dat het woord van JAHWEH tot Nathan gebeurde, zeggende: 5Ga, en zeg tot Mijn knecht, tot David: Zo zegt JAHWEH: Zou u Mij een huis bouwen tot Mijn woning? 6Want Ik heb in geen huis gewoond,b van die dag af, dat Ik de kinderen van Israël uit Egypte opvoerde, tot op deze dag; maar Ik9 heb gewandeld in een tent en in een tabernakel. 7Overal, waar Ik met al de kinderen van Israël heb gewandeld, heb Ik wel een woord gesproken met één van de stammen van Israël, die Ik bevolen heb Mijn volk Israël te weiden, zeggende: Waarom bouwt u Mij niet een cederen huis? 8Nu dan, zo zult u tot Mijn knecht, tot David, zeggen: Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Ik heb u genomen van de schaapskooi, van achter de schapen, dat u een voorganger zou zijn over Mijn volk, over Israël. 9En Ik ben met u geweest,d overal, waar u gegaan bent, en heb al uw vijanden voor uw aangezicht uitgeroeid; en Ik heb u een grote naam gemaakt, als de naam van de groten, die op de aarde zijn. 10En15 Ik heb voor Mijn volk, voor Israël, een plaats besteld, en hem geplant, dat hij16 aan zijn plaats woon, en niet meer heen en weer gedreven wordt; en de17 kinderen van de verkeerdheid zullen hem niet18 meer verdrukken, zoals19 in het eerst. 11En van20 die dag af, dat Ik21 geboden heb richters te wezen over Mijn volk Israël. Maar u heb Ik rust gegeven van al uw vijanden. Ook geeft u JAHWEH te kennen, dat JAHWEH22 u een huis maken zal. 12e Wanneer uw dagen zullen vervuld zijn, en u met uw vaderen zult23 ontslapen zijn, zo zal Ik uw24 zaad na u doen opstaan, dat uit25 uw lijf voortkomen zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen. 13f Die zal Mijn Naam een26 huis bouwen; en Ik zal de stoel van zijn koninkrijk bevestigen tot in27 eeuwigheid. 14g Ik zal28 hem zijn tot een Vader, en hij zal Mij zijn tot een zoon;h die als29 hij misdoet, zo zal Ik hem met een30 mensenroede en met plagen van de mensenkinderen straffen. 15Maar Mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, zoals Ik die weggenomen heb van Saul, die Ik van voor uw aangezicht heb weggenomen. 16Maar uw huis zal bestendig zijn, en uw koninkrijk tot31 in eeuwigheid,32 voor uw aangezicht; uw stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid. 17Naar al deze woorden, en naar dit hele visioen,33 zo sprak Nathan tot David. 18Toen ging de koning David in, en bleef voor het aangezicht van JAHWEH, en hij zei: Wie ben ik, Adonai JAHWEH, en wat is mijn huis, dat U mij tot hiertoe gebracht hebt? 19Daartoe is36 dit in Uw ogen nog klein geweest, Adonai JAHWEH, maar U hebt ook over het huis van Uw knecht gesproken37 tot van verre heen; en dit naar de38 wet van de mensen, Adonai JAHWEH! 20En wat zal David nog meer tot U spreken? Want U kent Uw knecht, Adonai JAHWEH! 21Vanwege uw39 woord, en naar Uw hart hebt U40 al deze grote41 dingen42 gedaan,43 om aan Uw knecht bekend te maken. 22Daarom bent U groot, JAHWEH God!i Want er is niemand zoals U, en er is geen God dan44 alleen U,45 naar alles, wat wij met onze oren gehoord hebben. 23k En wie is, zoals Uw volk, zoals Israël, één enig volk op aarde,46 dat47 God is heengegaan Zich tot een volk te verlossen, en om Zich een48 Naam te zetten, en om49 voor u deze50 grote en verschrikkelijke dingen te doen aan51 Uw land, voor het aangezicht van Uw volk, dat U Zich uit Egypte verlost hebt, de heidenen en hun goden52 verdrijvende. 24En U hebt Uw volk Israël U bevestigd, U tot een volk, tot in53 eeuwigheid; en U, JAHWEH, bent hun tot een54 God55 geworden. 25Nu dan, JAHWEH God, doe dit woord, dat U over Uw knecht en over zijn huis gesproken hebt, bestaan tot in eeuwigheid, en doe, zoals U gesproken hebt. 26En Uw Naam worde groot gemaakt tot in eeuwigheid, dat men zeg: JAHWEH van de legermachten is God over Israël; en het huis van Uw knecht David zal bestendig zijn voor Uw aangezicht. 27Want U, JAHWEH van de legermachten, U, God van Israël! U hebt voor het oor van Uw knecht geopenbaard, zeggende: Ik zal u een huis bouwen; daarom heeft Uw knecht in zijn hart gevonden, dit gebed tot U te bidden. 28Nu dan, Adonai JAHWEH! U bent die God, enl Uw woorden zullen waarheid zijn, en U hebt dit goede tot Uw knecht gesproken. 29Zo believe het U nu, en zegen het huis van Uw knecht, dat het in eeuwigheid voor uw aangezicht zij; want U, Adonai JAHWEH, hebt het gesproken, en58 met Uw zegen zal het huis van Uw knecht gezegend worden in eeuwigheid.