2 Samuel 6

11a Daarna verzamelde David2 opnieuw alle uitgelezenen in Israël, dertig duizend. 2En David3 maakte zich op, en ging heen met al het volk, dat bij hem was, van4 Baälim-juda, om van daar op te brengen de5 ark van God,6 bij die de Naam wordt aangeroepen, de Naam van JAHWEH van de legermachten, Die7 daarop woont tussen de8 cherubim. 3En zij9 voerden de ark van God op eenb nieuwe wagen, en10 haalden ze uitc het huis van Abinadab, dat11 op een heuvel is; en Uza en12 Ahio, zonen van Abinadab, leidden de nieuwe wagen. 4Toen zij hem nu uit het huis van Abinadab, dat op de heuvel is, met de ark van God, wegvoerden, zo ging Ahio13 voor de ark heen. 5En David en het hele huis van Israël speelden voor het aangezicht van JAHWEH, met allerlei snarenspel van dennenhout, als met harpen, en met luiten, en met trommelen, ook met14 schellen, en met cimbalen. 6d Als zij nu kwamen tot aan15 Nachons dorsvloer, zo strekte Uza16 zijn hand uit aan de ark van God, en hield ze, want de17 runderen18 struikelden. 7Toen ontstak de toorn van JAHWEH tegen Uza, en God sloeg hem daar, om deze19 onbedachtzaamheid; en hij stierf daar bij de ark van God. 8En20 David ontstak, omdat JAHWEH een scheur gescheurd had aan Uza; en hij noemde dezelfde plaats21 Perez-uza,22 tot op deze dag. 9En David vreesde JAHWEH ten zelf dage; en hij zei: Hoe zal de ark van JAHWEH tot mij komen? 10David dan wilde de ark van JAHWEH niet tot zich laten overbrengen in de stad van David; maar David deed ze afwijken in het huis25 van Obed-edom,26 de Gethiet. 11En de ark van JAHWEH bleef in het huis van Obed-edom, de Gethiet, drie maanden;e en JAHWEH zegende Obed-edom en zijn hele huis. 12Toen boodschapte men de koning David, zeggende: JAHWEH heeft het huis van Obed-edom, en al wat hij heeft, gezegend vanwege de ark van God; zo ging David heen en haalde de ark van God uit het huis van Obed-edom opwaarts in de stad van David, met vreugde. 13En het gebeurde, als zij, die de ark van JAHWEH28 droegen,29 zes treden voortgetreden waren, dat30 hij ossen en gemest vee offerde. 14En David31 huppelde met alle macht voor het aangezicht van32 JAHWEH; en David was omgord met een33 linnen lijfrok. 15Zo brachten David en het34 hele huis van Israël de ark van JAHWEH op, met gejuich en met35 geluid van de bazuinen. 16En het gebeurde, als de ark van JAHWEH in de stad van David kwam, dat36 Michal, Sauls dochter, door het venster uitzag. Als zij nu de koning David zag,37 springende en huppelende voor het aangezicht38 van JAHWEH,39 verachtte zij hem in haar hart. 17Toen zij nu de ark van JAHWEH inbrachten, stelden zij die in haarf plaats, in het midden van de tent, die David voor haar40 gespannen had; en David offerde brandofferen voor het aangezicht van JAHWEH, en dankofferen. 18Als David geëindigd had het brandoffer en de dankofferen te offeren,g zo41 zegende hij het volk in de42 Naam van JAHWEH van de legermachten. 19En hij deelde uit aan het hele volk, aan de hele menigte van Israël, van de mannen tot de vrouwen toe, aan ieder een broodkoek, en een schoon43 stuk vlees, en een fles wijn. Toen ging al dat volk heen, ieder naar zijn huis. 20Als nu David wederkwam, om zijn huis te zegenen, ging Michal, Sauls dochter, uit, David tegemoet, en zei: Hoe is heden de koning van Israël verheerlijkt, die zich heden voor de ogen van de dienaressen van zijn dienaren heeft ontbloot, zoals één van de ijdele mensen zich onbeschaamdelijk ontbloot? 21Maar David zei tot Michal: Voor het aangezicht van JAHWEH, Die mij gekozen heeft voor uw vader en voor zijn hele huis, mij instellende tot een voorganger over het volk van JAHWEH, over Israël; ja, ik zal spelen voor het aangezicht van JAHWEH. 22Ook zal ik mij nog geringer houden dan zo, en zal nederig zijn in mijn ogen, en met de dienaressen, waarvan u gezegd hebt,51 daarmee zal ik verheerlijkt worden. 23Michal nu, Sauls dochter, had geen kind,52 tot de dag van haar dood toe.