2 Kronieken 29
11a Jehizkia werd koning,2 vijf en twintig jaren oud zijnde, en regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Abia, een dochter van Zacharia.
2En hij deed dat recht was in de ogen van JAHWEH, naar alles, wat zijn vader David gedaan had.
3Dezelfde deed in het eerste jaar van zijn regering,3 in de eerste maand,b de4 deuren van het huis van JAHWEH open, en5 beterde ze.
4En hij bracht de priesters en de Levieten in, en hij verzamelde ze in6 de Ooststraat.
5En hij zei tot hen: Hoort mij, o Levieten; heiligt nu uzelf, en heiligt het huis van JAHWEH, van de God uw vaderen, en brengt de onreinheid uit van het heiligdom.
6Want11 onze vaders hebben overtreden, en gedaan dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, van onze God, en hebben Hem verlaten, en zij hebben hun aangezichten van de tabernakel van JAHWEH omgewend, en12 hebben de nek13 toegekeerd.
7Ook hebben zij de deuren van het voorhuis toegesloten, en de lampen uitgeblust en het reukwerk niet gerookt; en het brandoffer hebben zij in14 het heiligdom aan de God van Israël niet geofferd.
8Daarom is een grote toorn van JAHWEH over Juda en Jeruzalem geweest; en Hij heeft hen overgegeven ter15 beroering, ter verwoesting en16 ter aanfluiting, zoals u ziet met uw ogen.
9Want ziet, onze vadersc zijn17 door het zwaard gevallen; daartoe onze zonen, en onze dochters, en onze vrouwen18 zijn daarom in gevangenis geweest.
10Nu19 is het in mijn hart een verbond te maken met JAHWEH, de God van Israël, opdat de hitte van Zijn toorn van ons afkere.
1120 Mijn21 zonen, weest22 nu niet traag;d want JAHWEH heeft u gekozen, dat u23 voor Zijn aangezicht staan zou, om Hem te dienen; en opdat u Hem dienaren en wierokers zou wezen.
12Toen maakten zich de Levieten op, Mahath, de zoon van Amasai, en Joël, de zoon van Azarja, van de kinderen van de Kahathieten; en van de kinderen van Merari, Kis, de zoon van Abdi, en Azarja, de zoon van Jehaleël; en van de Gersonieten, Joah, de zoon van Zimma, en Eden, de zoon van Joah;
13En24 van de kinderen25 van Elizafan, Simri en Jeiël; en van de kinderen van Asaf, Zecharja en Mattanja;
14En van de kinderen van Heman, Jehiël en Simeï; en van de kinderen van Jeduthun, Semaja en Uzziël.
15En zij verzamelden hun broers, en26 heiligden zich, en kwamen, naar het gebod van de27 koning, door de woorden van JAHWEH, om het huis van JAHWEH te reinigen.
16Maar de28 priesters gingen binnen in het huis van JAHWEH, om dat te reinigen, en zij brachten uit in het29 voorhof van het huis van JAHWEH al de onreinheid, die zij in30 de tempel van JAHWEH vonden; en de Levieten namen ze op, om naar buiten uit te brengen, in de31 beek Kidron.
17Zij begonnen nu32 te heiligen op de33 eerste van34 de eerste maand, en op de achtste dag van de maand kwamen zij in het voorhuis van JAHWEH, en heiligden het huis van JAHWEH in acht dagen; en op de zestienden dag van de eerste maand maakten zij een einde.
18Daarna kwamen zij binnen tot de koning Hizkia, en zeiden: Wij hebben het hele huis van JAHWEH gereinigd, en ook het brandofferaltaar met al zijn gereedschap, en35 de tafel van de toerichting met al haar gereedschap.
19Alle gereedschap ook, dat de koning Achaz, onder zijn koninkrijk, door zijn overtreding weggeworpen had, hebben wij36 bereid en geheiligd; en zie, zij zijn voor het altaar van JAHWEH.
20Toen maakte zich de koning Jehizkia vroeg op, en verzamelde37 de oversten van de stad, en hij ging op in het huis van JAHWEH.
21En zij brachten38 zeven stieren, en zeven rammen, en zeven lammeren, en zeven geitenbokken tene zondoffer voor het koninkrijk, en voor het heiligdom, en voor Juda; en hij zei tot de zonen van Aäron, de priesters, dat zij die op het altaar van JAHWEH zouden offeren.
22Zo slachtten zij de runderen, en de priesters ontvingen het bloed, enf sprengden het op het altaar; zij slachtten ook de rammen, en sprengden het bloed op het altaar; ook slachtten zij de lammeren, en sprengden het bloed op het altaar.
23Daarna brachten zij de bokken bij, ten zondoffer, voor het aangezicht van de koning en van de gemeente, en zij39 leiden hung handen daarop.
24En de priesters slachtten ze, en40 ontzondigden met van die bloed op het altaar, om verzoening te doen voor het hele41 Israël; want de koning had dat brandoffer en dat zondoffer voor geheel Israël42 bevolen.
25Enh hij stelde de Levieten in het huis van JAHWEH, met cimbalen, met luiten en harpen,i naar het gebod van David, en van Gad,43 de ziener van de koning, en van Nathan, de profeet; want dit gebod was van de hand van JAHWEH, door de hand van Zijn profeten.
26De Levieten nu stonden met de44 instrumenten45 van David, en de priesters met de trompetten.
27En Hizkia beval, dat men het brandoffer op het altaar zou offeren; ten tijde nu, als dat brandoffer begon, begon het gezang van JAHWEH met46 de trompetten en47 met de instrumenten van David, de koning van Israël.
28De hele gemeente nu48 boog zich neer, als men het gezang zong, en met trompetten trompette; dit alles totdat het brandoffer voltooid was.
29Als men nu geëindigd had te49 offeren, bukten de koning en allen, die bij hem50 gevonden waren, en bogen zich neer.
30Daarna zei de koning Jehizkia, en de oversten, tot de Levieten, dat zij JAHWEH loven zouden, met de woorden van David en van Asaf, de ziener; en zij loofden tot blijdschap toe; en neigden hun hoofden, en bogen zich neer.
31En Jehizkia antwoordde en zei: Nu hebt u uw handen JAHWEH gevuld, treedt toe, en brengt slachtofferen en lofofferen tot het huis van JAHWEH; en de gemeente bracht slachtofferen en lofofferen en alle vrijwilligen van hart brandofferen.
32En het getal van de brandofferen, die de gemeente bracht, was zeventig runderen, honderd rammen, tweehonderd lammeren; deze alle JAHWEH ten brandoffer.
3356 Nog waren van de geheiligde dingen zeshonderd runderen en drie duizend57 schapen.
34Maar van de priesters waren58 er te weinig, en zij konden al de brandofferen de huid niet aftrekken; daarom59 hielpen hen hun broers, de Levieten, totdat het werk geëindigd was, en totdat de andere priesters60 zich geheiligd hadden; want de Levieten waren61 rechter van hart, om zich te heiligen, dan de priesters.
35En ook waren de brandofferen in menigte, met het vet van62 de dankofferen, en met de63 drankofferen,64 voor de brandofferen; zo werd de dienst van het huis van JAHWEH besteld.
36Jehizkia nu en al het volk verblijdden zich over65 wat God het volk voorbereid had; want deze zaak gebeurde66 haastig.