1 Korintiërs 14
11 Jaagt de liefde na, en2 ijvert3 om de geestelijke gaven, maar meest, dat u mag4 profeteren.
2Want die5 een vreemde taal spreekt, spreekt niet6 de mensen, maar7 tot God; want niemand8 verstaat het, maar9 met de geest spreekt hij10 geheimen.
3Maar11 die profeteert,12 spreekt de mensen13 stichting, en terechtwijzing en troost.
4Die een vreemde taal spreekt, die sticht zichzelf; maar die profeteert die sticht de Gemeente.
5En14 ik wil wel, dat u allen in vreemde talen spreekt, maar meer, dat u profeteert; want die profeteert,15 is meer dan die vreemde talen spreekt,16 tenzij dan, dat hij het uitlegge, opdat de Gemeente stichting mag ontvangen.
6En nu, broeders, als ik tot u kwam, en sprak vreemde talen,17 wat nut zou ik u doen, zo ik tot u18 niet sprak, of in openbaring, of in kennis, of in profetie of in onderwijzing?
7Zelfs ook19 de levenloze dingen, die20 geluid geven, hetzij fluit, hetzij citer, zo zij geen21 onderscheid met hun klank geven, hoe zal bekend worden,22 wat op de fluit of op de citer gespeeld wordt?
8Want ook als de23 bazuin24 een onzeker geluid geeft, wie zal zich tot de oorlog bereiden?
9Zo ook u, als u niet25 door de taal een26 duidelijke rede geeft, hoe zal27 verstaan worden wat gesproken wordt? Want u zult zijn als die28 in de lucht spreekt.
10Er zijn,29 naar het voorvalt, zo30 vele soorten van stemmen in de wereld, en geen daarvan is31 zonder stem.
11Als ik dan32 de kracht van de stem niet weet, zo zal ik hem, die spreekt,33 barbaars zijn; en hij, die spreekt, zal34 bij mij barbaars zijn.
12Zo ook u, omdat u35 ijverig bent naar36 geestelijke gaven, zo zoekt dat u mag37 overvloedig zijn38 tot stichting van de Gemeente.
13Daarom, die in een vreemde39 taal spreekt, die40 bidde, dat hij het mag uitleggen.
14Want als ik in een vreemde41 taal42 bid, mijn geest bidt wel, maar43 mijn verstand is44 vruchteloos.
1545 Wat is het dan?46 Ik zal wel met de geest bidden, maar ik zal ook47 met het verstand bidden;a ik zal wel met de geest48 zingen, maar ik zal ook met het verstand zingen.
16Anders, als u49 dankzegt met de geest, hoe zal degene, die50 de plaats van een ongeleerde51 vervult,52 amen zeggen op uw dankzegging, omdat hij niet weet, wat u zegt?
17Want u53 dankzegt wel behoorlijk, maar54 de ander wordt niet gesticht.
1855 Ik dank mijn God, dat ik meer vreemde talen spreek, dan u allen;
19Maar ik wil56 liever in de Gemeente57 vijf woorden spreken58 met59 mijn verstand, opdat ik ook anderen mag onderwijzen, dan60 tien duizend woorden in een vreemde taal.
20b Broeders,61 wordt geen kinderen in het verstand, maar wees kinderen62 in de boosheid, en wordt63 in het64 verstand volwassen.
2165c In de wet is geschreven: Ik zal door mensen66 van andere talen, en door67 andere lippen68 tot dit volk spreken, en ook zo zullen zij Mij69 niet horen, zegt de Heere.
22Zo dan, de vreemde talen zijn70 tot een teken niet van hen, die geloven, maar de ongelovigen; en de profetie niet de ongelovigen, maar van hen, die geloven.717273
23Als dan de hele Gemeente bijeenvergaderd was, en zij allen in vreemde talen spraken, en enige ongeleerden74 of ongelovigen inkwamen, zouden zij niet zeggen,75 dat u buiten zinnen was?
24Maar als zij76 allen profeteerden, en een ongelovige of ongeleerde inkwame, die wordt77 van allen78 overtuigd, en hij wordt van allen79 geoordeeld.
25En zo worden80 de verborgen dingen van zijn hart openbaar; en zo,81 vallende op zijn aangezicht, zal hij God aanbidden, en verkondigen,82 dat God werkelijk83 onder u is.
2684 Wat is het dan, broeders? Wanneer u samenkomt, ieder van u, heeft hij85 een psalm, heeft hij86 een leer, heeft hij een vreemde taal, heeft hij87 een openbaring, heeft hij88 een uitlegging; laat alle dingen gebeuren tot stichting;
27En zo iemand een vreemde taal spreekt, dat het89 door twee, of ten meeste drie geschiede, en90 bij beurte; en dat91 één het uitlegge.
28Maar als er92 geen uitlegger is, dat93 hij zwijge in de Gemeente; maar dat hij94 tot zichzelf spreke, en95 tot God.
29En dat96 twee of drie97 profeten98 spreken, en dat99 de anderen100 oordelen.
30Maar als een ander, die er zit, iets geopenbaard is, dat de eerste zwijge.
31Want u kunt allen, de één na de ander profeteren, opdat zij allen leren, en allen getroost worden.
32En de geesten van de profeten zijn de profeten onderworpen.
33Want God is geen God van verwarring, maar van vrede, zoals in al de Gemeenten van de heiligen.
34d Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, zoals ooke de wet zegt.
35En zo zij iets willen leren, laat haar te huis haar eigen mannen vragen; want het staat lelijk voor de vrouwen, dat zij in de Gemeente spreken.
36Is het Woord van God van u uitgegaan? Of is het tot u alleen gekomen?
37Als iemand denkt een profeet te zijn, of geestelijke, die erkenne, dat, wat ik u schrijf, van de Heere geboden zijn.
38Maar zo iemand onwetend is, die zij onwetend.
39Zo dan, broeders, ijvert om te profeteren, en verhindert niet in vreemde talen te spreken.
40Laat alle dingen eerlijk en met orde gebeuren.