Genesis 1
God schept de hemel en de aarde, vers 1-2, en het licht, op de eerste dag, 3. Op de tweede dag het uitspansel, met scheiding van de onderste en bovenste wateren, 6. Op de derde scheidt Hij het droge en de wateren, 9. Hij schept gras en vruchtbare bomen, 11. Op de vierde dag de zon, maan en sterren, 14. Op de vijfde dag kleine en grote vissen, en het gevogelte, met zegening, 20. Op de zesde dag het gedierte van de aarde, 24. En ten slotte de mens, man en vrouw, naar zijn beeld, en geeft hun heerschappij en zijn zegen, 26. Ook onderscheidt Hij het voedsel van de mens en van de dieren, 29. Hij noemt al zijn schepselen goed, 31.
1In het begin 1 a schiep 2 God de 3 hemel en de aarde.
2De 4 aarde nu was 5 woest en ledig, en duisternis lag over de 6 diepte; en de 7 Geest van God 8 zweefde 9 over de wateren.
3En God 10 zei: "Er zij 11 licht!" En er was licht.
4En God 12 zag het licht, dat het 13 goed was; en God 14 maakte scheiding tussen het licht en de duisternis.
5En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het 15 avond geweest en het was morgen geweest, de 16 eerste dag.
6b En God zei: "Er zij een 17 uitspansel in het midden van de wateren, en 18 dat make scheiding tussen 19 wateren en wateren."
7En God maakte het uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren 20 die c onder het uitspansel zijn, en de 21 wateren die d boven het uitspansel zijn; en het was alzo.
8En God noemde het uitspansel hemel. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de tweede dag.
9En God zei: "e Dat de wateren onder de hemel op één plaats vergaderd worden, 22 en dat het droge gezien worde"; en het was alzo.
10En God noemde het droge aarde, en de vergadering van de wateren noemde Hij 23 zeeën; en God zag dat het goed was.
11En God zei: "De aarde brenge groen voort, 24 zaaddragend gewas, 25 vruchtbomen die vrucht dragen naar hun soort, waarvan het zaad daarin is, op de aarde"; en het was alzo.
12En de aarde bracht groen voort, zaaddragend gewas naar zijn soort, en bomen die vrucht dragen, waarvan het zaad daarin was, naar hun soort; en God zag dat het goed was.
13Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de derde dag.
14En God zei: "f Dat er 26 lichten zijn aan het uitspansel van de hemel, om scheiding te maken tussen de dag en de nacht; en 27 dat zij dienen tot tekens, en tot vastgestelde tijden, en tot dagen en jaren.
15g En dat zij dienen tot lichten aan het uitspansel van de hemel, om licht te geven op de aarde"; en het was alzo.
16God maakte dan 28 de twee grote lichten: het grote licht om te heersen over de dag, en het 29 kleine licht om te heersen over de nacht; en ook de sterren.
17En God 30 stelde ze aan het uitspansel van de hemel, om licht te geven op de aarde.
18En om te heersen over de dag en over de nacht, en om scheiding te maken tussen het licht en de duisternis; en God zag dat het goed was.
19Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de vierde dag.
20En God zei: "Dat de wateren overvloedig voortbrengen 31 een gewemel van levende 32 wezens, en dat het gevogelte vliege boven de aarde, 33 aan het uitspansel van de hemel."
21En God 34 schiep de grote walvissen, en alle levende 35 wezens die bewegen, waar de wateren van wemelen, naar hun soort; en alle 36 gevleugeld gevogelte naar hun soort; en God zag dat het goed was.
22En God 37 zegende ze en zei: "h Weest vruchtbaar, vermenigvuldigt, en vult de wateren in de zeeën; en het gevogelte, vermenigvuldigt op de aarde."
23Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de vijfde dag.
24En God zei: "De aarde brenge levende 38 wezens voort naar hun soort: 39 vee, 40 kruipend gedierte, en gedierte van de aarde, naar hun soort"; en het was alzo.
25En God maakte het gedierte van de aarde naar hun soort, en het vee naar zijn soort, en al het kruipend gedierte van de aardbodem naar hun soort; en God zag dat het goed was.
26En God zei: "41 Laat Ons 42 mensen maken, 43 naar Ons 44 beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heersen over 45 de vissen van de zee, en over het gevogelte van de hemel, en over 46 het vee, en over heel de aarde, en over al het kruipend gedierte dat op de aarde kruipt."
27En God schiep de mens i naar Zijn beeld; naar het beeld 47 van God schiep Hij hem; k man en vrouw schiep Hij hen.
28En God 48 zegende hen; en God zei tegen hen: "l Weest vruchtbaar, vermenigvuldigt, vult de aarde en onderwerpt haar; en heers over de vissen van de zee, en over het gevogelte van de hemel, en over alle dieren die op de aarde 49 kruipen."
29En God zei: "Zie, m Ik heb u al het zaaddragend gewas gegeven dat 50 op heel de aarde is, en al het geboomte waarin zaaddragende boomvrucht is; het zij u tot voedsel.
30n Maar aan al het gedierte van de aarde, en aan al het gevogelte van de hemel, en aan al het kruipend gedierte op de aarde, waarin leven is, heb Ik 51 al het groene gewas tot voedsel 52 gegeven"; en het was alzo.
31En God zag alles wat Hij gemaakt had, en 53 zie, o het was zeer goed. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de zesde dag.

Het Paradijs — Genesis 1-2
Jan van 't Hoff · gospelimages.com
Johannes 3
1 Christus onderwijst Nicodemus over de noodzakelijkheid en de wijze van de wedergeboorte. 9 En bestraft daarbij zijn onwetendheid. 14 Leert door het voorbeeld van de koperen slang dat hij verhoogd moest worden, om allen die in hem geloven zalig te maken. 18 En dat wie niet in hem geloven, veroordeeld worden. 22 Christus en Johannes dopen tegelijkertijd. 25 De discipelen van Johannes nemen het kwalijk dat Christus meer toeloop had. 27 Waaruit Johannes aanleiding neemt om hen te onderrichten over het verschil tussen hem en Christus, wiens waardigheid hij aanwijst. 36 En wat degenen die in Christus geloven en die niet geloven te verwachten hebben.
1En er was een man uit de Farizeeën, wiens naam Nicodemus was, 1 een leider van de Joden.
2Deze kwam 2 's nachts tot Jezus en zei tot hem: "Rabbi, wij weten dat u een leraar bent die van God gekomen is, want niemand kan deze tekenen doen die u doet, als God niet met hem is."
3Jezus 3 antwoordde en zei tot hem: "Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: tenzij iemand 4 opnieuw 5 geboren wordt, kan hij het Koninkrijk van God 6 niet zien."
4Nicodemus zei tot hem: "Hoe kan een mens geboren worden nu oud zijnde? Kan hij dan ook opnieuw in de buik van zijn moeder ingaan en geboren worden?"
5Jezus antwoordde: "7 Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: tenzij iemand geboren wordt uit 8 water en Geest, kan hij het Koninkrijk van God niet ingaan."
6Wat 9 uit het vlees geboren is, is 10 vlees; en wat uit de Geest geboren is, is 11 geest.
7En verwondert u niet dat ik u gezegd heb: "U moet 12 wederom geboren worden."
813 De wind 14 waait waarheen hij wil, en u hoort zijn 15 geluid, maar u weet niet 16 vanwaar hij komt en waarheen hij gaat; 17 alzo is een ieder die uit de Geest geboren is.
9Nicodemus antwoordde en zei tot hem: "Hoe kunnen deze dingen geschieden?"
10Jezus antwoordde en zei tot hem: "U bent een leraar van Israël en u weet 18 deze dingen niet?"
11"Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: 19 wij spreken wat wij weten en getuigen wat wij gezien hebben, en 20 u neemt ons getuigenis niet aan."
12"Als ik u 21 de aardse dingen gezegd heb en u niet gelooft, hoe zult u geloven als ik u de hemelse 22 zou zeggen?"
13"En niemand is 23 opgevaren naar de hemel, dan hij die uit de hemel 24 nedergekomen is, namelijk de Zoon des mensen, 25 die in de hemel is."
14"En zoals Mozes de slang in de woestijn 26 verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen 27 verhoogd worden,"
15"opdat ieder die in hem gelooft, niet 28 verderft maar het eeuwige leven heeft."
16Want alzo lief heeft God 29 de wereld gehad, dat hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in hem gelooft, niet verderft maar het eeuwige leven heeft.
17Want God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden opdat hij de wereld 30 zou veroordelen, maar opdat 31 de wereld door hem behouden zou worden.
18Wie in hem gelooft, wordt niet veroordeeld; maar wie niet gelooft, is 32 al veroordeeld, omdat hij niet geloofd heeft in de naam van de eniggeboren Zoon van God.
19En dit is 33 het oordeel: dat 34 het licht in de wereld gekomen is en de mensen de duisternis liever hebben gehad dan het licht, want hun werken waren boos.
20Want ieder die kwaad doet, haat het licht en komt niet naar het licht, opdat zijn werken niet 35 bestraft worden.
21Maar 36 wie de waarheid doet, komt naar het licht, opdat zijn werken openbaar worden, dat zij 37 in God gedaan zijn.
22Daarna ging Jezus met zijn discipelen 38 naar het land van Judea, en hij hield zich daar met hen op, en 39 doopte.
23En Johannes doopte ook in Enon bij 40 Salim, omdat 41 daar veel water was; en zij kwamen daarheen en werden gedoopt.
24Want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen.
25Er ontstond dan een 42 discussie van enkele discipelen van Johannes met de Joden 43 over de reiniging.
26En 44 zij kwamen tot Johannes en zeiden tot hem: "Rabbi, hij die met u was 45 aan de overkant van de Jordaan, aan wie u getuigenis hebt gegeven — zie, hij doopt, en zij 46 komen allen tot hem."
27Johannes antwoordde en zei: "Een mens kan 47 niets aannemen, tenzij het hem 48 uit de hemel gegeven is."
28"U bent zelf mijn getuigen dat ik gezegd heb: ik ben de Christus niet, maar ik ben voor hem uitgestuurd."
29"Wie de bruid heeft is de bruidegom; maar 49 de vriend van de bruidegom, die staat en hem hoort, verblijdt zich met vreugde om 50 de stem van de bruidegom. Zo is dan deze mijn vreugde vervuld geworden."
30"Hij moet wassen, maar ik moet minder worden."
31Die 51 van boven komt, is boven allen; die 52 uit de aarde is, is aards en spreekt aards. Die uit de hemel komt, is boven allen.
32En 53 wat hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt hij; en zijn getuigenis neemt 54 niemand aan.
33Wie zijn getuigenis aanvaard heeft, die heeft 55 bezegeld dat God waarachtig is.
34Want hem die God gezonden heeft, spreekt de woorden van God, want God geeft hem de Geest niet 56 met mate.
35De Vader heeft de Zoon lief en heeft alle dingen 57 in zijn hand gegeven.
36Wie in de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven; maar wie de Zoon 58 ongehoorzaam is, zal het leven 59 niet zien, maar de toorn van God blijft op hem.

De Zondeval — Genesis 3
Jan van 't Hoff · gospelimages.com
Romeinen 8
1 Uit het tot nu toe verklaarde trekt de apostel de vertroosting dat er geen verdoemenis meer is voor de gelovigen. 4 En vermaant hen met verschillende beweegredenen dat zij niet naar het vlees maar naar de Geest moeten wandelen. 17 Verklaart verder dat het lot van de gelovigen in dit leven is met Christus te lijden, maar sterkt hen daartegen met de grootheid van de heerlijkheid die daarna zal volgen. 19 En stelt hun het voorbeeld voor van de hele schepping, die daarnaar een natuurlijk verlangen heeft. 23 Troost hen verder door de hoop die zij zelf daarvan hebben. 26 En door de hulp van de Heilige Geest in het gebed. 28 Alsook door de zekerheid die zij, ondanks al het lijden, vasthouden van hun verkiezing, roeping, rechtvaardiging en verheerlijking. 31 Besluit deze troost met een roem in Christus tegen alles wat hen zou kunnen beschuldigen of hinderen. 37 En verzekert hen dat zij door Christus in alles zullen overwinnen.
1Dus is er 1 nu geen 2 veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn, 3 die niet naar het vlees wandelen maar naar de geest.
2a Want 4 de wet van de Geest van het leven in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van 5 de wet van de zonde en van de dood.
3b 6 Want 7 wat de wet onmogelijk was, doordat ze door het vlees 8 krachteloos was, heeft God gedaan door zijn Zoon te zenden 9 in gelijkenis 10 van het zondige vlees en 11 voor de zonde. c Zo heeft Hij de zonde 12 veroordeeld 13 in het vlees.
4opdat 14 de rechtseis van de wet vervuld zou worden in ons, 15 die niet naar het vlees wandelen maar naar de geest.
5d Want 16 zij die naar het vlees zijn, 17 bedenken de dingen van het vlees. Maar 18 zij die naar de geest zijn, 19 bedenken de dingen van de geest.
6Want het denken van het vlees 20 is de dood; maar het denken van de geest 21 is leven en vrede.
7Omdat het denken van het vlees 22 vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich niet aan de wet van God, en 23 het kan dat ook niet.
8En die in het vlees zijn, 24 kunnen God niet behagen.
9Maar 25 u bent 26 niet in het vlees maar 27 in de geest, 28 als de Geest van God e in 29 u woont. Maar als iemand 30 de Geest van Christus niet heeft, 31 die behoort Hem niet toe.
10Als Christus in u is, dan is wel 32 het lichaam dood 33 vanwege de zonde; maar 34 de geest 35 is leven 36 vanwege de gerechtigheid.
11Als de Geest van hem die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, f dan zal hij die Christus uit de doden heeft opgewekt, ook uw sterfelijke lichamen 37 levend maken, 38 door zijn Geest die in u woont.
12Dus, broeders, zijn we 39 schuldenaars niet aan het vlees om naar het vlees te leven.
13Want als u naar het vlees leeft, 40 zult u sterven. Maar als u 41 door de Geest 42 de daden van het lichaam 43 doodt, zult u leven.
14g Want allen die door de Geest van God 44 worden geleid, 45 die zijn kinderen van God.
15h Want u hebt 46 de geest van dienstbaarheid niet ontvangen om opnieuw te vrezen. i Maar u hebt 47 de geest van aanneming tot kinderen ontvangen, door wie we roepen: 48 "Abba, Vader!"
16k De Geest zelf 49 getuigt met onze geest dat we kinderen van God zijn.
17En als we kinderen zijn, dan zijn we ook erfgenamen: erfgenamen 50 van God en 51 mede-erfgenamen van Christus. l Als we tenminste 52 met Hem lijden, opdat we ook 53 met Hem verheerlijkt worden.
18m Want ik houd het ervoor dat het lijden 54 van de tegenwoordige tijd 55 niet te vergelijken is met de heerlijkheid die aan ons zal worden geopenbaard.
1956 Want 57 de schepping wacht, als met opgeheven hoofd, met verlangen op de openbaring van de kinderen van God.
20Want de schepping is aan de ijdelheid onderworpen, 58 niet vrijwillig, maar 59 vanwege hem die haar eraan heeft onderworpen,
2160 in de hoop dat ook de schepping zelf zal worden vrijgemaakt van de dienstbaarheid van het verderf, tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God.
22Want we weten dat de hele schepping tezamen zucht en tezamen als in barenswee is tot nu toe.
23En niet alleen dit, maar ook wij zelf, 61 die de eerstelingen van de Geest hebben, wij ook zuchten 62 in onszelf, terwijl we wachten op 63 de aanneming tot kinderen, namelijk n 64 de verlossing van ons lichaam.
24Want we zijn in hoop gered. De hoop nu 65 die gezien wordt, is geen hoop. Want wat iemand ziet, 66 waarom zou hij het ook hopen?
25Maar als we hopen wat we 67 niet zien, verwachten we het met geduld.
26En evenzo 68 komt ook de Geest 69 onze zwakheden te hulp. o Want 70 we weten niet wat we behoren te bidden, maar de Geest zelf 71 bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.
27En 72 hij die de harten doorzoekt, weet wat 73 de bedoeling van de Geest is, omdat hij 74 naar Gods wil voor de heiligen bidt.
2875 En we weten dat voor hen die God liefhebben, 76 alle dingen meewerken ten goede, namelijk voor hen die 77 naar zijn voornemen 78 zijn geroepen.
29Want wie hij 79 tevoren heeft gekend, heeft Hij ook tevoren bestemd 80 om gelijkvormig te zijn aan het beeld van zijn Zoon, opdat hij p de eerstgeborene zou zijn onder vele broeders.
30En wie Hij tevoren heeft bestemd, dezen heeft Hij ook 81 geroepen. En wie Hij heeft geroepen, dezen heeft Hij ook 82 gerechtvaardigd. En wie Hij heeft gerechtvaardigd, dezen heeft Hij ook 83 verheerlijkt.
3184 Wat zullen we dan 85 over deze dingen zeggen? q Als God 86 voor ons is, wie zal 87 tegen ons zijn?
32Hij die ook r zijn eigen Zoon 88 niet heeft gespaard, maar hem voor 89 ons allen 90 heeft overgegeven — hoe zal hij ons ook 91 met hem niet 92 alle dingen 93 schenken?
33Wie zal 94 beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen van God? s God is het die 95 rechtvaardigt.
34Wie is het 96 die veroordeelt? Christus is het 97 die gestorven is — ja, meer nog: die ook 98 is opgewekt, die ook 99 aan de rechterhand van God is, t 100 die ook voor ons bidt.
351 Wie zal ons 2 scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard?
36(Zoals geschreven staat: v "Want om uwentwil worden we 3 de ganse dag 4 gedood; we worden gerekend als schapen ter slachting.")
37Maar in dit alles zijn we meer dan overwinnaars door 5 hem die ons heeft liefgehad.
38Want 6 ik ben verzekerd dat noch dood, noch leven, noch 7 engelen, 8 noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomstige dingen,
39noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel, ons zal kunnen scheiden van 9 de liefde van God, die is in Christus Jezus, onze Heer.
Kanttekeningen op Genesis 1
1 Van de tijd van de schepping van alle schepselen, die door de schepping in het bestaan zijn gekomen; omdat zij daarvoor niet bestonden, maar alleen God, die zonder begin is. Ps. 90:2, Spr. 8:22-23, Kol. 1:17. Vergelijk dit met Joh. 1:1.a Job 38:4, Ps. 33:6, 89:12, 136:5, Hand. 14:15, 17:24, Hebr. 11:3.2 Scheppen betekent in dit hoofdstuk en elders: iets voortreffelijks maken dat er eerder niet was; hetzij uit niets (vers 1), of uit iets anders dat uit niets geschapen was (vers 21, 27). Over het Hebreeuwse woord Elohim, dat is God, zie hfdst. 20, bij vers 13.3 Met hemel, of hemelen (dit woord wordt bij de Hebreeën niet in het enkelvoud gebruikt) en aarde, kan men in dit eerste vers verstaan: de hemel en aarde zoals ze op de eerste dag zijn geschapen, of de hele wereld met alle hemelse en aardse schepselen daarin begrepen. Vgl. Gen. 2:1.
4 Versta hier door dit woord de aarde die nu is, maar dan zoals ze in het begin op de eerste dag geschapen was, en niet zoals ze door het verdere scheppingswerk geworden is.5 Hebr. tohu vavohu (תֹּהוּ וָבֹהוּ), woestheid of vormeloosheid, en leegheid of ijdelheid. Dit wordt van de aarde gezegd omdat zij was zonder enige gedaante, orde, onderscheid, sieraad, gebruik en bewoners, die er later in geschapen zijn. Met deze Hebreeuwse woorden wordt elders in de Heilige Schrift de uiterste verwoesting, vormeloosheid, ijdelheid, nietigheid of leegheid uitgedrukt. Zie Deut. 32:10, 1 Sam. 12:21, Job 12:24, Ps. 107:40, Jes. 34:11, 44:9, Jer. 4:23.6 Hebr. al-penei tehom (עַל־פְּנֵי תְהוֹם), op het aangezicht van de afgrond. Dat is: op het diepe en ondoorgrondelijke water, dat de aarde bedekte als een kleed en boven de bergen stond. Ps. 104:6. Zie 2 Petr. 3:5.7 Versta hier door het woord Geest de Heilige Geest; niet de wind, die nog niet geschapen was.8 Of: bewoog zich. Dat wil zeggen: om het eerste bestaan en de gestalte van de aarde en wateren, zoals die toen was, te onderhouden, opdat zulke voortreffelijke schepselen door de kracht van de Geest daaruit voortgebracht zouden worden. Het lijkt een vergelijking, ontleend aan vogels die de eieren uitbroeden om de jongen eruit te laten komen, en daarna met hun vleugels erover zweven om ze te koesteren en groot te brengen. Zie Deut. 32:11.9 Hebr. op het aangezicht van de wateren. Dat is: op het oppervlak van de wateren die de aarde bedekten.
10 Gods spreken is zijn wil, zijn bevel en zijn daad. Ps. 33:9, 148:5. Die Hij heeft uitgevoerd door zijn wezenlijk Woord, dat van eeuwigheid af God was en bij God was. Joh. 1:1-2, Ps. 33:6.11 Een helder, stralend, luchtig wezen dat de duistere massa verlichtte en door zijn omloop dag en nacht maakte.
12 God beschouwde zijn schepping als goed.13 Goed wordt hier datgene genoemd wat God aangenaam, op zichzelf mooi en lieflijk, en voor de schepselen, vooral de mensen, nuttig en dienstig is.14 Namelijk zo, dat het licht de duisternis en de duisternis het licht opvolgden, om nacht en dag te maken.
15 Dat is: nacht en dag samen vormden één natuurlijke dag, die bij de Hebreeën begon met de avond (zoals de duisternis voorafging) en eindigde met de volgende avond, en 24 uur omvatte.16 Hebr. één dag. Maar het is zeer gebruikelijk bij de Hebreeën om 'één' in plaats van 'eerste' te zetten, zoals in Gen. 8:5, Num. 29:1, Matt. 28:1, 1 Kor. 16:2.
b Ps. 33:6, 104:2, 136:5, Spr. 8:28, Jes. 42:5, Jer. 10:12, 51:15.17 Hebr. raqia (רָקִיעַ), van raqa (רָקַע), uitspannen of uitrekken. Hiermee wordt de hele ruimte tussen de onderste en bovenste wateren bedoeld.18 Hebr. dat het scheiding makend zij.19 Die in het volgende vers verklaard worden.
20 Namelijk op en in de aarde. Hebr. die van onder, enz. Zo ook vers 9.c Ps. 33:7, 136:6, Spr. 8:24.21 Hebr. de wateren die van boven, enz. Dat wil zeggen: de wolken, die boven het onderste deel van dit uitspansel drijven, of eventuele andere wateren die na de scheiding hun plaats boven hebben ingenomen.d Ps. 148:4.
e Job 38:8, 26:10, Ps. 24:2, 33:7, 136:6.22 Hieruit blijkt dat de hele aardbodem eerder met water bedekt was, zelfs de bergen, zoals hierboven bij vers 2 is aangetekend.
23 Er staat niet 'zee' maar 'zeeën', omdat met dit woord bij de Hebreeën niet alleen de Grote Zee bedoeld wordt (Pred. 1:7), maar ook andere zeeën, poelen, meren en alle verzamelingen van wateren. Zie Gen. 14:3, Ex. 14:23, Num. 34:11, Matt. 4:18, Joh. 21:1 en elders.
24 Dat is: dat zaad voortbrengt, draagt, geeft en uitwerpt. Zo ook in vers 12 en 29.25 Hebr. ets peri (עֵץ פְּרִי), geboomte van de vrucht.
f Ps. 136:7.26 Zie Ps. 74:16.27 Dat is: om te dienen voor het aangeven van de verschillende seizoenen, zoals lente, zomer, herfst en winter; de verlenging, verkorting en gelijkheid van de dagen; eclipsen, enzovoort. En ook om bepaalde dagen, weken, maanden en jaren waar te nemen en te onderhouden, zowel in kerkelijke als in politieke en burgerlijke aangelegenheden die dit leven betreffen.
g Deut. 4:19, Jer. 31:35.
28 Namelijk de zon en de maan, die groot worden genoemd met het oog op hun uiterlijke verschijning zoals die ons in de ogen valt, en hun bijzondere werking.29 Namelijk in vergelijking met de zon.
31 Hebr. sherets (שֶׁרֶץ), gewemel. Het Hebreeuwse woord wordt hier gebruikt voor dieren die in de zee en andere wateren door te zwemmen zich voortbewegen, hoewel het ook gebruikt wordt voor vliegend gedierte in de lucht (Lev. 11:20) en voor kruipende dieren op de aarde (ook vers 44).32 Hebr. nefesh (נֶפֶשׁ), ziel. Hieronder worden verstaan de dieren die leven en voelen, en zich daardoor voortbewegen.33 Hebr. al-penei (עַל־פְּנֵי), in (of naar) het aangezicht van het, enz.
34 Zie de aantekening bij vers 1.35 Het Hebreeuwse woord betekent niet alleen zwemmende dieren, zoals hier en in Lev. 11:46, Ps. 69:35, maar ook wat op de aarde kruipt of met het verheffen van de poten erop gaat en treedt, zoals in vers 24, 25, 26, 28, 30, hfdst. 6:20, 7:8 en Ps. 104:20.36 Hebr. kol-of kanaf (כָּל־עוֹף כָּנָף), alle vogels van de vleugel. Zo ook Ps. 78:27.
37 Dat is: God gaf ze de kracht om hun soort door voortplanting in stand te houden en talrijk te worden. Zie vers 28 en elders.h Gen. 8:17.
38 Hebr. ziel. Zie boven, vers 20.39 Hebr. behemah (בְּהֵמָה). Het Hebreeuwse woord betekent hier alle tamme, viervoetige dieren die onder de mensen verkeren en hun tot dienst, voedsel en kleding strekken.40 Zie boven, bij vers 21.
41 God spreekt in het meervoud, zoals Hij ook direct daarna doet met 'naar ons beeld, naar onze gelijkenis'. Hiermee wordt de goddelijke drie-eenheid en de waardigheid van dit laatste schepsel, de mens, aangewezen.42 Dat is: man en vrouw, zoals blijkt uit het vervolg dat zij heerschappij hebben, en uit vers 27 en hfdst. 5:2.43 Hebr. betsalmenu (בְּצַלְמֵנוּ), in ons beeld.44 Deze twee woorden schijnen dezelfde betekenis te hebben, omdat in dit verband soms het ene in de plaats van beide gesteld wordt. Zie het volgende vers en hfdst. 5:1. Met beeld en gelijkenis wordt vooral verstaan: de ware kennis van God (Kol. 3:10), ware gerechtigheid en heiligheid (Ef. 4:24).45 Hebr. dag (דָּג), vis, dat is: vissen. Zo ook vers 28.46 Dit woord wordt hier ruimer genomen dan in vers 24, waar het onderscheiden wordt van het wilde gedierte, dat hier onder het Hebreeuwse woord 'behema' begrepen is.
i Gen. 5:1, 9:6, 1 Kor. 11:7, Ef. 4:24, Kol. 3:10.47 Dat wil zeggen: niet naar het evenbeeld van de mens die geschapen werd (zoals de voorgaande woorden zouden kunnen worden opgevat), maar naar het beeld van God die hem geschapen heeft. Vergelijk hfdst. 5:1 en 9:6.k Matt. 19:4.
48 Zie de aantekening bij vers 22, hoewel dit woord hier meer omvat volgens de tekst zelf.l Gen. 8:17, 9:1, 3.49 Zie boven, bij vers 21.
m Gen. 9:3, Ps. 104:14-15.50 Hebr. op het aangezicht van het, enz.
n Ps. 104:14.51 Hebr. kol-yereq esev (כָּל־יֶרֶק עֵשֶׂב), alle groente of groensel van het kruid.52 Dit woord is hier ingevoegd uit het voorgaande vers.
53 Deze woorden 'zie' en 'zeer' zijn door Mozes hier toegevoegd om des te beter de grootheid en voortreffelijkheid van dit werk uit te drukken, alsook het bijzondere welgevallen van God dat Hij heeft gehad in al zijn werk, en in het bijzonder in de schepping van de mens.o Deut. 32:4, Mark. 7:37.53 Deze woorden 'zie' en 'zeer' zijn door Mozes hier toegevoegd om des te beter de grootheid en voortreffelijkheid van dit werk uit te drukken, alsook het bijzondere welgevallen van God dat Hij heeft gehad in al zijn werk, en in het bijzonder in de schepping van de mens.
Kanttekeningen op Johannes 3
a Joh. 19:39.1 Dat wil zeggen: een uit de raad van de Joden. Zie Joh. 7:48, 50.
b Joh. 7:50 en 19:39.2 Namelijk uit vrees voor de Joden, en om uit de synagoge geworpen te worden. Zie Joh. 9:22 en 12:42 en 19:38.c Joh. 9:16, 33.d Hand. 10:38.
3 Namelijk op de vraag van Nicodemus over het middel om zalig te worden, die hier niet uitgedrukt is; of op zijn verlangen om dit te weten, hoewel hij dat nog niet had geopenbaard.4 Gr. anōthen (ἄνωθεν): of van boven, of van nieuws, of wederom.5 Dat wil zeggen: door de Heilige Geest van de aangeboren verdorvenheid verlost en tot een nieuw geestelijk leven vernieuwd wordt. Zie Joh. 1:13, Rom. 12:2.6 Dat wil zeggen: daarin niet ingaan, zoals vers 5. Dat wil zeggen: aan de eeuwige zaligheid geen deel hebben. Zie de aantekening bij vers 36.
7 Gr. amēn, amēn (ἀμήν, ἀμήν). Zie over dit woord Matt. 6:13.e Tit. 3:5.8 Dat wil zeggen: door de kracht van de Heilige Geest niet gereinigd wordt van de zonde, zoals de uitwendige onreinheden door water afgewassen worden. Ez. 36:25. Zie een vergelijkbare manier van spreken in Matt. 3:11.
f Rom. 8:5.9 Dat wil zeggen: op natuurlijke wijze, uit de verdorven mens.10 Dat wil zeggen: natuurlijk en vleselijk gezind. Gen. 6:3, 5.11 Dat wil zeggen: geestelijk gezind. Rom. 8:5.
12 Gr. anōthen (ἄνωθεν): of van nieuws, of van boven. Dat wil zeggen: door de werking van de Heilige Geest.
13 Gr. pneuma (πνεῦμα), geest. Dat wil zeggen: de wind, zoals uit het navolgende blijkt.14 Of: waait.15 Gr. phōnē (φωνή), stem.16 Dat wil zeggen: vanwaar hij gedreven wordt; waar hij zijn begin heeft of zijn einde neemt.17 Dat wil zeggen: de werkingen van de Geest wordt u wel gewaar, maar hoe het toegaat begrijpt u niet. Pred. 11:5.
18 Namelijk die in de profeten zo dikwijls en zo duidelijk geleerd worden.
h Joh. 7:16 en 8:28 en 12:39 en 14:24.19 Namelijk Johannes en Ik.20 Namelijk u, leiders en Farizeeën. Joh. 7:48.i Joh. 3:32.
21 Dat wil zeggen: de hemelse dingen door gelijkenis van aardse verklaar.22 Dat wil zeggen: zou voorstellen zonder gelijkenis, zoals ze in zichzelf zijn.
k Joh. 6:62, Ef. 4:9.23 Gr. anabainō (ἀναβαίνω), opklimmen. Dat wil zeggen: met zijn verstand doorgedrongen tot volmaakte kennis van de hemelse zaken, betreffende de raad van God over de zaligheid van de mensen, om die aan de mensen te openbaren. Rom. 10:6.24 Namelijk toen Hij de menselijke natuur heeft aangenomen en door de Vader als Middelaar in de wereld gezonden is.25 Namelijk wat betreft zijn goddelijke natuur, waarmee Hij hemel en aarde vervult. Hebr. 1:3, Kol. 1:17.
l Num. 21:9, 2 Kon. 18:4.26 Dat wil zeggen: aan een hoge paal opgehangen, om gezien te worden door allen die door de vurige slangen gebeten waren, opdat zij zouden genezen. Zie Num. 21:9.m Joh. 8:28 en 12:32.27 Namelijk aan het kruis, zoals Hij zelf verklaart. Joh. 12:32, 33.
28 Of: verloren gaat.n Joh. 3:36.
o Rom. 5:8 en 8:31, 1 Joh. 4:9.29 Gr. kosmos (κόσμος), wereld. God heeft de wereld liefgehad: dat wil zeggen, de mensheid in haar geheel. Zie Joh. 11:51-52. 1 Joh. 2:2. Van deze liefde Gods zie uitgebreider Rom. 5:6, 8 en 8:3.p Joh. 3:36, Luk. 19:10, 1 Joh. 5:10.
q Joh. 9:39, Luk. 9:56 en 12:47, 1 Joh. 4:14.30 Gr. krinō (κρίνω), oordelen; dat wil zeggen: veroordelen of verdoemen.31 Dat wil zeggen: die uit de wereld in Hem zullen geloven, zowel heidenen als Joden.
r Joh. 5:24 en 6:40, 47 en 20:31.32 Namelijk in het gericht van God, volgens de dreiging van de wet, als iemand die de oorzaak van de verdoemenis in zichzelf heeft.
s Joh. 1:5.33 Dat wil zeggen: de verdoemenis, of de oorzaak van de verdoemenis.34 Dat wil zeggen: Christus en zijn Evangelie.
35 Dat wil zeggen: ontdekt worden, en hij daarvan overtuigd wordt.
t Ef. 5:12.36 Dat wil zeggen: die oprecht handelt.37 Gr. en Theō ergazomai (ἐν Θεῷ ἐργάζομαι), in God gewrocht zijn. Dat wil zeggen: als in Gods tegenwoordigheid en naar zijn wil.
38 Dat wil zeggen: buiten Jeruzalem, in het land van Judea.v Joh. 4:1.39 Namelijk door zijn discipelen. Zie Joh. 4:2.
x Matt. 3:6, Mark. 1:5, Luk. 3:7.40 Een plaats in de stam van Benjamin; zie 1 Sam. 9:4.41 Dat wil zeggen: beken of riviertjes, of veel water. Omdat degenen die door Johannes gedoopt werden, met hun hele lichaam in het water gingen. Zie Matt. 3:16, Hand. 8:38.
42 Of: geschil.43 Namelijk over de vergelijking van de waardigheid van de doop van Johannes met de Joodse reinigingen; of van de doop van Johannes met de doop van de discipelen van Christus.
z Joh. 1:15, 26, 34, Matt. 3:11, Mark. 1:7, Luk. 3:16.44 Namelijk de discipelen van Johannes.45 Of: aan de Jordaan. Namelijk te Bethabara. Joh. 1:28.46 Dat wil zeggen: zij komen in grote menigte.
47 Dat wil zeggen: geen ambt wettig en met behoorlijke voortgang en vrucht bedienen. Of: iets goeds ontvangen. Jak. 1:17, Hebr. 5:4.48 Dat wil zeggen: van God. Zie Matt. 21:25.
a Joh. 1:20.b Mal. 3:1, Matt. 11:10, Mark. 1:2, Luk. 1:17 en 7:27, Joh. 1:21, 23.
49 Dat wil zeggen: ik, die de vriend en getrouwe dienaar van de bruidegom ben, heb de bruid, dat is de gemeente, tot Christus haar bruidegom gebracht, die haar nu zelf ontvangt en aanspreekt. Zie 2 Kor. 11:2 en Ef. 5:25.50 Wanneer hij zijn bruid ontvangt en aanspreekt.
c Joh. 8:23.51 Dat wil zeggen: uit de hemel, als waarachtig God, zoals in de volgende woorden verklaard wordt.52 Dat wil zeggen: die een gewoon mens is, op natuurlijke wijze voortgekomen, spreekt als een gewoon mens, hoewel hij met Gods Geest begaafd is.
d Joh. 5:30 en 8:26 en 12:49 en 14:10.53 Dat wil zeggen: waarvan Hij uit Zichzelf volmaakte en zekere kennis heeft.54 Dat wil zeggen: zeer weinigen, en bijna niemand, in vergelijking met de grote menigte van hen die het verwerpen, zoals uit het volgende vers blijkt.
55 Dat wil zeggen: door zijn geloof betuigt en bevestigt dat hij vasthoudt dat de beloften van God waarachtig zijn.e Rom. 3:4.
f Ef. 4:7.56 Gr. ek metrou (ἐκ μέτρου), uit maat. Dat wil zeggen: niet ten dele, zoals zijn dienaren, maar met alle volheid. Zie Ps. 45:8, Joh. 1:16.
g Matt. 11:27 en 28:18, Joh. 5:22 en 17:2, Luk. 10:22, Hebr. 1:8.57 Dat wil zeggen: aan zijn macht onderworpen. Zie Matt. 28:18.
h Joh. 3:16 en 6:47, 1 Joh. 5:10.58 Gr. apeitheō (ἀπειθέω), ongehoorzaam zijn. Dat wil zeggen: die naar zijn bevel niet in Hem gelooft. Rom. 1:5.59 Dat wil zeggen: niet deelachtig worden. Ps. 34:13.
Kanttekeningen op Romeinen 8
1 Dit woordje 'dus' slaat op wat de apostel tot hier toe in deze brief heeft geleerd, namelijk dat de mens niet door de wet maar door het geloof in Christus rechtvaardig is, en dat hij door de Geest van Christus van de heerschappij van de zonde is verlost, al is er nog strijd in hem over.2 Gr. katakrima (κατάκριμα), veroordeling. Hij zegt niet: niets verdoemelijks, want de zonde is in zichzelf altijd verdoemelijk (Rom. 3:19). Maar ze leidt de gelovigen niet tot veroordeling, omdat de zonde hun om Christus' wil wordt vergeven. Daarom voegt hij erbij: voor hen die in Christus Jezus zijn, dat wil zeggen: die door het ware geloof met Hem verenigd zijn. Ef. 3:17.3 Dat wil zeggen: die de begeerten van het vlees niet volgen of daarnaar niet leven. Dit stelt de apostel als een kenmerk van hen die door het geloof werkelijk met Christus zijn verenigd en daarom van alle veroordeling zijn verlost. Joh. 15:2, 3.
a Joh. 8:36, Rom. 6:18, 22, Gal. 5:1.4 Dat wil zeggen: de levendmakende Geest die in Christus Jezus is.5 Dat wil zeggen: de kracht van de zonde die eerder in ons heeft geheerst. Dit is een krachtig bewijs van het laatste deel van vers 1, dat de gelovigen niet naar het vlees maar naar de Geest wandelen.
b Hand. 13:39, Rom. 3:28, Gal. 2:16, Hebr. 7:18.6 In deze twee verzen bewijst hij het eerste deel van vers 1, namelijk dat er geen veroordeling is voor de gelovigen.7 Gr. to adynaton tou nomou (τὸ ἀδύνατον τοῦ νόμου), het onmogelijke van de wet. Dat wil zeggen: omdat het de wet onmogelijk was de zonde te vernietigen of de mens voor God te rechtvaardigen.8 Of: onmachtig. Namelijk door de verdorvenheid van onze natuur, om ons te rechtvaardigen en het leven te geven.9 Christus' mensheid was een ware menselijke natuur, maar geen zondige natuur; ze had alleen de gelijkenis van een zondige natuur, omdat Hij al onze zwakheden heeft gedragen waarmee we door de zonde waren beladen. Fil. 2:7.10 Gr. tēs hamartias (τῆς ἁμαρτίας), van de zonde. Dat wil zeggen: van het vlees van de zonde.11 Dat wil zeggen: als een offer voor de zonde. Hebr. 10:6. Of: tot verzoening en vernietiging van de zonde. Rom. 4:25, 1 Kor. 15:3.c 2 Kor. 5:21, Gal. 3:13.12 Dat wil zeggen: gestraft, gedood en beroofd van de kracht om te beschuldigen.13 Namelijk van Christus; dat wil zeggen: door het offer van Christus die in het vlees voor ons heeft geleden.
14 Gr. dikaiōma (δικαίωμα), rechtseis. Dat wil zeggen: wat de wet eiste, die het leven beloofde aan degenen die haar volledig onderhielden — welke eis Christus voor ons heeft vervuld. Gal. 3:13, 14 en 4:4, 5.15 Dit herhaalt de apostel uit vers 1, niet als een oorzaak van de rechtvaardiging — wat hij zelf van Abraham en David heeft ontkend in hoofdstuk 4 — maar als een kenmerk waaraan de gelovigen de werkelijkheid van hun geloof en hun rechtvaardiging kunnen kennen en zeker zijn.
d 1 Kor. 2:14.16 Dat wil zeggen: in wie de natuurlijke verdorvenheid nog haar volle kracht heeft.17 Gr. phroneō (φρονέω), bedenken, bezinnen. Dat wil zeggen: met hun verstand en met al hun zinnen streven naar vleselijke dingen, waarvan de vruchten uitvoerig worden beschreven in Gal. 5:19-21.18 Dat wil zeggen: die door de Geest van God zijn wedergeboren.19 Dat wil zeggen: zij begeven zich aan en streven naar geestelijke dingen, die door de apostel ook uitvoerig worden beschreven in Gal. 5:22.
20 Dat wil zeggen: leidt de mens tot de dood.21 Dat wil zeggen: is de weg tot het eeuwige leven en tot de eeuwige vrede. Rom. 2:10.
22 Dat wil zeggen: vijandig gezind tegen God; niet dat de vleselijke mens altijd van plan is God als vijand te haten, maar omdat wat hem behaagt God vijandig en hatelijk is, en hij daardoor zichzelf hatelijk maakt voor God. Deut. 5:9, Rom. 1:30.23 Namelijk zichzelf aan Gods wet onderwerpen en die van harte gehoorzamen — vanwege de verdorvenheid en verkeerdheid die daarin is. 1 Joh. 2:15, 16.
24 Namelijk zolang ze door Christus' Geest niet daaruit zijn verlost.
25 Namelijk u die in Christus gelooft; want hij schrijft eigenlijk aan hen. Rom. 1:7.26 Dat wil zeggen: naar het vlees, zoals vers 5 uitlegt.27 Dat wil zeggen: naar de Geest. Vers 5.28 Of: aangezien, omdat. Zo ook in vers 17.e 1 Kor. 3:16.29 Namelijk door zijn genadige werkingen, zoals verlichting van het verstand, versterking van het geloof, zekerheid van de zaligheid, opwekking tot het gebed, beweging tot geestelijke begeerten, troost in kruis en aanvechting.30 Dat wil zeggen: dezelfde Geest die in het vorige vers de Geest van God, namelijk de Vader, wordt genoemd, wordt hier ook de Geest van Christus genoemd, omdat Hij ook van Christus voortkomt en ons door Christus is verworven. Joh. 14:26 en 16:7, Gal. 4:6.31 Namelijk als een echt lid van zijn lichaam, dat alleen door deze Geest leeft en zijn geestelijke beweging heeft.
32 Dat wil zeggen: nog sterfelijk of aan de lichamelijke dood onderworpen, zoals vers 11 uitlegt.33 Dat wil zeggen: vanwege de overblijfselen van de zonde die nog in u zijn. 1 Kor. 15:56.34 Dat wil zeggen: uw ziel die door Gods Geest is vernieuwd, zoals blijkt uit de tegenstelling met het lichaam.35 Dat wil zeggen: deelt in het eeuwige leven en zal altijd bij God zijn in heerlijkheid, al moet het lichaam voor een tijd worden afgelegd. 2 Kor. 5:1, 8.36 Namelijk waardoor u gerechtvaardigd bent en waarop ook de heiligmaking volgt die Christus hier in ons begint en hierna in ons zal voltooien.
f Rom. 6:4, 5, 1 Kor. 6:14, 2 Kor. 4:14, Ef. 2:5, Kol. 2:13.37 Dat wil zeggen: weer opwekken tot een eeuwig leven, waar geen zonde of dood meer zal zijn.38 Want zoals de Vader de doden opwekt, zo wekt ook de Zoon de doden op (Joh. 5:21), en hier ook de Heilige Geest als dezelfde God met hen en van dezelfde kracht.
39 Dat wil zeggen: gehouden en verplicht door de weldaden die we al hebben ontvangen en nog verwachten.
40 Namelijk de eeuwige dood, zoals blijkt uit het leven dat hier wordt beloofd. Dit zegt de apostel niet om de gelovigen aan hun zaligheid te laten twijfelen, maar om hen des te meer te wapenen tegen het vlees.41 Namelijk die in u woont en u al kracht daartoe heeft gegeven, als u maar door gebeden en andere oefeningen van de godsvrucht die behoorlijk opwekt. 1 Kor. 15:10, 2 Tim. 1:6.42 Gr. praxeis (πράξεις), daden, handelingen. Dat wil zeggen: de begeerten en bewegingen van de zonde die nog in u over zijn.43 Dat wil zeggen: weerstaat het, onderwerpt het, zodat het in u niet leeft of heerst.
g Gal. 5:18.44 Gr. agontai (ἄγονται), geleid worden. Dat wil zeggen: in hun verstand verlicht en in hun wil en genegendheden geregeld en gestuurd worden om te doen wat God behaagt.45 Dat wil zeggen: die hebben de zekere kenmerken dat ze door God door het geloof in Christus als kinderen zijn aangenomen. Joh. 1:12, Ef. 1:13.
h 1 Kor. 2:12, 2 Tim. 1:7.46 Zo noemt hij de werking van Gods Geest door de wet, die de harten van de mensen door de dreigingen tegen de overtreders versloeg en bang maakte.i Jes. 56:5, Gal. 3:26 en 4:5, 6.47 Gr. pneuma huiothesias (πνεῦμα υἱοθεσίας), geest van aanneming tot kinderen. Hieronder wordt verstaan de genadige werking van de Heilige Geest door de prediking van het heilige evangelie, die de harten van de gelovigen verkwikt en hen van hun aanneming tot kinderen verzekert. Zie Gal. 4:6, Ef. 4:30.48 Gr. abba (Ἀββά), Aramees voor 'vader'. Dat wil zeggen: we durven Hem vrijmoedig aanroepen als onze Vader. Zo heeft ook Christus deze verdubbeling van het woord 'Vader' in zijn grootste benauwdheid gebruikt. Mark. 14:36. En aan het kruis de verdubbeling 'Mijn God, mijn God'. Mark. 15:34. Zie ook vers 26.
k 2 Kor. 1:22 en 5:5, Ef. 1:13 en 4:30.49 Gr. symmartyrei (συμμαρτυρεῖ), getuigt mede. Dat wil zeggen: de Heilige Geest beweegt ons niet alleen om God als onze Vader aan te roepen, maar getuigt ook inwendig tot onze geest dat we Gods kinderen zijn.
50 Namelijk als van onze Vader, die ons met Hem deel geeft aan zijn hemelse goederen.51 Namelijk als van onze eerstgeboren broeder, aan wie die van nature toekomen, en die ons daarvan deelgenoot maakt uit genade. Zie vers 29, Luk. 22:29, Hebr. 1:2.l 2 Tim. 2:11, 12.52 Dat wil zeggen: bereid zijn te lijden en daarin geduldig zijn als God het belieft ons daartoe te roepen. Hand. 5:41, 2 Tim. 2:12.53 Namelijk met Christus. Fil. 3:20, 21.
m Matt. 5:12, 2 Kor. 4:10, 17, Fil. 3:20, 1 Petr. 4:13, 1 Joh. 3:1, 2.54 Gr. tou nyn kairou (τοῦ νῦν καιροῦ), van de tijd van nu.55 Gr. ouk axia (οὐκ ἄξια), niet waardig, niet gelijkwaardig. Dat wil zeggen: geen gelijkheid in waarde heeft met de heerlijkheid. 2 Kor. 4:17. Dit is de eerste reden om ons tot geduld te bewegen.
56 Gr. apokaradokia (ἀποκαραδοκία), het verlangen of afwachten met opgeheven hoofd. Zie ook Fil. 1:20.57 Gr. ktisis (κτίσις), schepping. Namelijk van hemel en aarde, die nu in strijd met Gods oorspronkelijke ordening aan de ijdelheid is onderworpen. Dit is de tweede reden om de gelovigen tot geduld te bewegen.
58 Dat wil zeggen: niet uit zichzelf of naar de orde die God bij de schepping heeft gesteld. Want geen schepsel zoekt zijn eigen verderf. Zie ook vers 38, 39.59 Dat wil zeggen: vanwege de zonde van de mens, waardoor ook naar Gods rechtvaardig oordeel de vloek over de aarde is gekomen (Gen. 3:17) en over alle andere schepselen.
60 Gr. elpis (ἐλπίς), hoop. Want hoop is een geduldig verwachten. God heeft deze algemene verlossing van de schepping van verderf en misbruik beloofd.
61 Zo noemt hij de wedergeborenen, omdat ze de eerste gaven van de Heilige Geest hebben ontvangen en verwachten dat de overige gaven die ons zijn beloofd, zullen volgen.62 Dat wil zeggen: in het binnenste van onze harten. Zie Rom. 7:24.63 Dat wil zeggen: de volledige bezitting van de erfenis die ons bij deze aanneming is beloofd.n Luk. 21:28.64 Gr. apolytrōsis (ἀπολύτρωσις), verlossing. Namelijk van het verderf en de ijdelheid. 1 Kor. 15:43, 44. Dit is de derde reden van onze troost.
65 Dat wil zeggen: waarbij de gehoopte zaak aanwezig is of al wordt bezeten.66 Gr. ti kai elpizei (τί καὶ ἐλπίζει), waarom hoopt hij het ook?
67 Dat wil zeggen: nog niet ten volle bezitten, hoewel het ons door God is beloofd en te zijner tijd zal volgen.
68 Gr. synantilambanetai (συναντιλαμβάνεται), mede te hulp komen. Dit woord drukt een hulp uit waarbij iemand die sterk is een last samen opneemt met een ander die te zwak is.69 Namelijk die we in kruis en lijden nog zijn onderworpen, zowel in onze geest als in ons lichaam dat broos en zwak is.o Matt. 20:22, Jak. 4:3.70 Namelijk van onszelf, als we in benauwdheid zijn en geen toevlucht kunnen nemen dan tot God door het gebed.71 Gr. hyperentynchanei (ὑπερεντυγχάνει), voor iemand bidden. Dit woord wordt van Christus gebruikt in vers 34. Hier betekent het dat de Heilige Geest ons tot bidden met onuitsprekelijk zuchten opwekt.
72 Dat wil zeggen: God, die alleen de harten van de mensen kent. 1 Kon. 8:39, Openb. 2:23.73 Gr. phronēma (φρόνημα), bedoeling, overweging. Namelijk van het gebed dat de Geest in ons werkt.74 Gr. kata Theon (κατὰ Θεόν), naar God, dat wil zeggen: naar Gods wil. Dit is het vierde fundament van onze troost.
75 Hier begint de laatste reden van troost, die de gelovigen in al hun moeilijkheden stellen tegenover alle aanvechtingen en vervolgingen, ontleend aan Gods eeuwige raad.76 Gr. panta synergei (πάντα συνεργεῖ), alle dingen werken mee. Dat wil zeggen: alle moeilijkheden en vervolgingen waarover hij tot nu toe heeft gesproken.77 Gr. prothesis (πρόθεσις), voornemen. Namelijk dat Hij in Zichzelf heeft voorgenomen om mensen uit genade door Christus zalig te maken. Zie Ef. 1:9, 11.78 Namelijk tot het ware geloof dat door de liefde krachtig is, niet alleen door een uitwendige maar ook door een inwendige en krachtige roeping, waarop de gehoorzaamheid zeker volgt. Joh. 6:44, 65, 1 Kor. 1:24, 26.
79 Gr. proginōskō (προγινώσκω), tevoren kennen. Namelijk als de zijnen, zoals Joh. 10:14, 27.80 Gr. symmorphos (σύμμορφος), gelijkvormig. Namelijk niet alleen in het lijden, maar ook en in het bijzonder in de heiligmaking en verheerlijking die daarna zal volgen.p Kol. 1:18.
81 Namelijk tot het geloof en de gehoorzaamheid van het geloof door een krachtige roeping. Vers 28.82 Namelijk voor Hem, door het geloof, zoals dit woord in deze hele brief wordt genomen. Want deze rechtvaardiging is de naaste stap tot de verheerlijking.83 Namelijk hier, in de beginselen door de heiligmaking en aanneming tot kinderen, en hierna door de volle bezitting van die heerlijkheid. Vers 17, 21 en 2 Kor. 3:18.
84 Hier besluit de apostel de behandeling van de voorgaande leer van deze brief, met een heilige roem in Christus tegenover alle beschuldigingen en vervolgingen.85 Namelijk die tot zover geleerd en uitgelegd zijn.q Num. 14:18.86 Dat wil zeggen: met ons door Christus verzoend is, ons heeft verkoren, geroepen, gerechtvaardigd en ons zal verheerlijken. Vers 29, 30.87 Namelijk die ons zou kunnen beschuldigen of beschadigen. Ps. 56:12 en 118:6.
r Gen. 22:12, Jes. 53:5, Joh. 3:16.88 Namelijk en daarmee als een onweerlegbaar getuigenis heeft getoond dat Hij met ons is. Rom. 5:8.89 Namelijk die in Hem geloven, die Hem liefhebben en naar zijn voornemen zijn geroepen.90 Namelijk in de dood. Rom. 4:25.91 Namelijk Christus Jezus, die de allerkostbaarste gave is, in wie alle schatten van wijsheid en kennis verborgen zijn (Kol. 2:3), zodat wie Hem heeft, alles heeft wat tot zaligheid nodig is.92 Dat wil zeggen: alles wat ons tot onze eeuwige zaligheid nodig is.93 Gr. charizomai (χαρίζομαι), schenken uit genade. Dit wordt gesteld tegenover alle verdiensten van de mensen.
94 Gr. egkaleō (ἐγκαλέω), beschuldigen. Namelijk van zonde of schuld van zonde. Want daarmee zouden we door de wet (Joh. 5:45), door ons eigen geweten (Rom. 2:15) of door de satan (Openb. 12:10) voor God kunnen worden beschuldigd.s Jes. 50:8.95 Dat wil zeggen: die ons van zonde en straf van zonde vrijspreekt.
96 Gr. katakrinō (κατακρίνω), veroordelen. Dat wil zeggen: die de vloek en straf van de zonde tegen ons zou uitvoeren.97 Namelijk om ons van de vloek en straf van de zonde te bevrijden. Gal. 3:13.98 Namelijk om ons de gerechtigheid toe te brengen. Rom. 4:25.99 Namelijk om ons van alle vijanden te verlossen en de Heilige Geest tot zekerheid daarvan te geven. Joh. 16:7, Hand. 2:33.t Hebr. 7:25.100 Gr. entynchanō (ἐντυγχάνω), voorbidden. Namelijk om ons zijn gerechtigheid door zijn voorbede toe te eigenen. Joh. 17:20. In deze vier zaken bestaat onze gehele verzoening met God.
1 De voorgaande roem was gericht tegen de zonde en de straf van de zonde; deze is gericht tegen het geweld van de vervolgingen en verdrukkingen van de wereld.2 Gr. agapē tou Christou (ἀγάπη τοῦ Χριστοῦ), liefde van Christus. Namelijk waarmee Hij ons liefheeft, zoals vers 37 en 39.
v Ps. 44:23, 1 Kor. 4:9, 2 Kor. 4:11.3 Dat wil zeggen: voortdurend, zonder ophouden.4 Dat wil zeggen: ter dood toe vervolgd, of nu de een, dan de ander omgebracht.
5 Namelijk Christus, of God in Christus. Want beide worden hier uitgedrukt: het ene in vers 35 en het andere in vers 39.
6 Gr. pepeismai (πέπεισμαι), ik ben overtuigd, ik ben verzekerd. Namelijk door de belofte van het heilige evangelie aan alle gelovigen (Joh. 5:24) en door het getuigenis van de Heilige Geest in het hart (vers 16).7 Namelijk boze engelen; want de goede proberen ons niet van Christus te scheiden. Vgl. Gal. 1:8, 9.8 Gr. archai (ἀρχαί), overheden. Sommigen nemen dit ook als namen van engelen (Kol. 1:16), hoewel het hier ook kan worden verstaan van tyrannen en machthebbers van deze wereld.
9 Namelijk waarmee Hij ons liefheeft, als we door het geloof met Christus zijn verenigd. Zoals vers 35.