Zacharia 6

11 En ik hief mijn ogen weer op, en ik zag; en ziet,2 vier wagens gingen er3 uit van tussen twee bergen, en die bergen waren bergen van koper. 2Aan de eerste wagen waren4 rode paarden; en aan de tweede wagen waren zwarte paarden. 3En aan de derde wagen witte paarden; en aan de vierde wagen5 hagelvlekkige paarden, die6 sterk waren. 4En ik antwoordde, en zei tot de Engel, Die met mij sprak: Wat zijn deze, mijn Heere? 5En de Engel antwoordde, en zei tot mij: Deze zijn de vier winden van de hemel, uitgaande van daar zij stonden voor de Heere van de hele aarde. 611 Aan welke wagen de zwarte paarden zijn, die paarden12 gaan uit naar het Noorderland; en de witte gaan uit, die achterna; en de hagelvlekkige gaan uit13 naar het Zuiderland. 7En die sterke paarden gingen uit, en zochten voort te gaan, om het land te doorwandelen; want Hij had gezegd: Gaat heen, doorwandelt het land. En zij doorwandelden het land. 8En Hij riep mij, en sprak tot mij, zeggende: Zie, deze, die uitgegaan zijn naar het Noorderland, hebben Mijn Geest doen rusten in het Noorderland. 9En het woord van JAHWEH gebeurde tot mij, zeggende: 1019 Neem van de als gevangene weggevoerden van20 Cheldai, van21 Tobia, en van Jedaja, en kom u op die dag, en ga in in het huis van Josia, de zoon van22 Zefanja, die uit Babel gekomen zijn; 11Te weten, neem zilver en goud, en23 maak kronen; en24 zet ze op het hoofd van Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester. 12En spreek tot hem, zeggende: Zo spreekt JAHWEH van de legermachten, zeggende: Ziet, een Man, Wiens naam is SPRUITE, Die zal uit Zijn plaats spruiten, en Hij zal de tempel van JAHWEH bouwen. 13Ja, Hij zal de tempel van JAHWEH bouwen, en Hij zal30 het sieraad dragen, en31 Hij zal zitten, en heersen op Zijn troon; en Hij zal priester zijn op Zijn troon; en32 de raad van de vrede zal tussen die Beiden wezen. 14En die kronen zullen wezen voor33 Chelem, en voor Tobia, en voor Jedaja, en voor34 Chen, de zoon van35 Zefanja, tot een herinnering in de tempel van JAHWEH. 15En36 die verre zijn, zullen komen, en zullen bouwen37 in de tempel van JAHWEH, en u zult weten, dat JAHWEH van de legermachten mij tot u gezonden heeft. Dit zal gebeuren, als u38 vlijtig zult horen naar de stem van JAHWEH, van uw God.