Spreuken 24
11a Wees niet nijdig over2 de slechte mensen, en laat u niet gelusten, om bij hen te zijn.
2Want hun hart bedenkt3 verwoesting,b en hun lippen spreken moeite.
3Door wijsheid wordt een4 huis gebouwd, en door verstandigheid bevestigd;
4En door wetenschap worden de binnenkameren vervuld met alle kostelijk en liefelijk goed.
5c Een wijs man is5 sterk; en een man van wetenschap6 maakt de kracht vast.
6d Want door7 wijze raadslagen zult u8 voor u de oorlog voeren, en in de9 veelheid van de raadgevers is de10 overwinning.
711e Alle wijsheid is voor de dwaze12 te hoog; hij zal in de13 poort zijn mond14 niet opendoen.
8Die denkt om kwaad te doen, die zal men een15 meester van16 schandelijke verdichtselen noemen.
9De gedachte17 van de dwaasheid is zonde; en een spotter is de mens een gruwel.
10Vertoont u u18 slap op de dag19 van de benauwdheid, uw kracht is20 nauw.
1121f Red degenen, die ter dood22 gegrepen zijn;23 want zij24 wankelen ter doding, zo u u onthoudt.
12Wanneer u zegt: Ziet, wij weten dat niet; zal Hij, Die de harten weegt, dat niet merken? En Die uwe ziel gadeslaat, zal Hij het niet weten? Want Hij zal de mens vergelden naar zijn werk.
13Eet30 honing, mijn zoon! want hij is goed, en honigzeem is zoet voor uw31 gehemelte.
1432h Zo is de kennis van de wijsheid voor uw ziel; als u33 ze vindt,i zo zal34 er beloning wezen, en uw35 verwachting zal niet afgesneden worden.
15Loer niet, o goddeloze! op de woning van de36 rechtvaardigen; verwoest zijn legerplaats niet.
16Want de rechtvaardige zal37k zevenmaal38 vallen, en39 opstaan; maarl de goddelozen zullen in40 het kwaad neerstruikelen.
17m Verblijd u niet, als uw vijand41 valt; en als hij neerstruikelt, laat uw hart zich niet verheugen;
18Opdat JAHWEH niet zie, en het kwaad42 zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem43 afkere.
19n Ontsteek u niet over de boosdoeners; wees niet nijdig over de goddelozen.
20Want de kwade zal geen44 beloning hebben,45o de lamp van de goddelozen zal uitgeblust worden.
21Mijn zoon! vrees JAHWEH en de koning; vermeng u niet met46 hen, die naar verandering staan;
22Want hun verderf zal haastig ontstaan; en47 wie weet hun48 beider ondergang?
23Deze spreuken zijn ook49 van de50p wijzen. Het aangezicht in het gericht te kennen, is51 niet goed.
24Die tot de goddeloze zegt: U bent rechtvaardig; die zullen de volken vervloeken, de natiën zullen hem gram zijn.
25Maar voor degenen, die53 hem bestraffen, zal54 liefelijkheid zijn; en de55 zegen van de goeds zal op56 hen komen.
2657 Men zal de lippen kussen van degene, die rechte woorden antwoordt.
2758 Beschik uw werk daarbuiten, en bereid het voor u op de akker, en59 bouw daarna uw huis.
28Wees niet60 zonder oorzaak getuige tegen uw naaste; want zou u61 verleiden met uw62 lip?
29r Zeg niet: Zoals hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen; ik zal een ieder vergelden naar zijn werk.
30Ik ging voorbij de akker van een luiaard, en voorbij de wijngaard van63 een verstandeloos mens;
31En ziet,64 hij was geheel opgeschoten van distelen; zijn gedaante was met netelen bedekt, en zijn65 stenen scheidsmuur was afgebroken.
32Als ik dat aanschouwde,66 nam ik het ter hart; ik zag het,67 en nam onderwijzing aan;
3368s Een weinig slapens, een weinig sluimerens, en weinig handvouwens, al neerliggende;
34Zo zal uw armoede u overkomen, als69 een wandelaar, en uw allerlei gebrek als een gewapend man.