Spreuken 14
11 Elke wijze vrouw2 bouwt haar huis; maar3 die zeer dwaas is, breekt het af met4 haar handen.
2a Die5 in zijn oprechtheid wandelt, vreest JAHWEH; maar die6 afwijkt7 in zijn wegen, veracht8 Hem.
3In de mond van de dwazen is een9 roede van de hoogmoeds; maar de lippen van de10 wijzen bewaren hen.
4Als er11 geen ossen zijn, zo is de krib12 rein; maar door de kracht van de os is van de inkomsten veel.
5Een13 waarachtigb getuige zal niet liegen; maar een vals getuige14 blaast leugens.
6De spotter zoekt wijsheid, en er is15 geen; maar de wetenschap is voor de verstandige16 licht.
7Ga weg van de aanwezigheid van een zotte man; want u zou bij hem17 geen lippen van de wetenschap merken.
8De wijsheid van de kloekzinnigen is18 zijn weg te verstaan; maar dwaasheid van de zotten is19 bedriegerij.
9Elke dwaas zal20 de schuld21 verbloemen; maar onder de oprechten is22 goedwilligheid.
10Het hart kent23 zijn eigen24 bittere verdriet; en een vreemde zal zich met25 daarvan blijdschap niet vermengen.
11Het26 huis van de goddelozen zal vernietigd worden; maar de27 tent van de oprechten zal bloeien.
12c Er is een28 weg, die29 iemand recht schijnt; maar30 het laatste van die zijn31 wegen van de dood.
13Het hart zal ook32 in het33 lachen smart hebben;d en34 het laatste35 van die blijdschap is verdriet.
1436 Die afkerig van hart is, zal37 van zijne wegen38 verzadigd worden; maar een goed man39 van zich zelf.
15De slechte gelooft alle40 woord; maar de kloekzinnige41 merkt op zijn gang.
16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot42 is oplopende boos, en zorgeloos.
17Die43 haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man44 van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.
18De eenvoudigen45 erven dwaasheid; maar de kloekzinnigen zullen zich46 met wetenschap kronen.
19De kwaden47 buigen voor het aangezicht van de goeden neer, en de goddelozen48 voor de poorten van de rechtvaardigen.
20f De arme wordt zelfs van zijn49 vriend gehaat; maar de liefhebbers van de rijken zijn vele.
2150 Die zijn naaste51 veracht, zondigt; maar die zich52 van de nederigen ontfermt, die is welgelukzalig.
2253 Dwalen54 zij niet,55 die kwaad stichten?g Maar56 weldadigheid en trouw is voor degenen, die goed stichten.
2357 In allen smartelijken arbeid is58 overschot; maar het59 woord van de lippen strekt alleen tot gebrek.
24De kroon60 van de wijzen is hun61 rijkdom; de dwaasheid62 van de63 zotten is dwaasheid.
25Een64 waarachtig getuige65 redt66 de zielen; maar die67 leugens blaast, is68 een bedrieger.
26In de vrees voor JAHWEH is een69 sterk vertrouwen, en Hij zal70 Zijn kinderen een Toevlucht wezen.
27De vrees voor JAHWEHh is een71 springader van het leven, om af te wijken van de72 strikken van de dood.
28In de menigte van het volk is de heerlijkheid van de koning; maar in gebrek van volk is de verstoring van een vorst73.
29De74 lankmoedige75 is groot van verstand; maar die76 haastig is van gemoed,77 verheft de dwaasheid.
30Een78 gezond hart is79 het80 leven van het vlees; maar afgunst is verrotting van81 de beenderen.
31i Die de arme82 verdrukt, smaadt83 daarvan Maker;k maar die zich van de armen ontfermt, eer Hem.
32De goddeloze zal heengedreven worden in zijn84 kwaad; maar de rechtvaardige85 betrouwt86 zelfs in zijn dood.
33l Wijsheid87 rust in het hart van de verstandigen; maar wat in het binnenste van de88 zotten is, wordt bekend.
34Gerechtigheid89 verhoogt een volk, maar de zonde90 is een schandvlek van de natiën.
35Het welbehagen van de koning is over een verstandigen91 knecht; maar zijn toorn zal zijn92 over dengene, die beschaamd maakt.