Spreuken 10

11 De spreuken vana Salomo. Een wijs zoon verblijdt de2 vader; maar een zot zoon is van zijn moeder verdriet. 2b Schatten3 van de goddeloosheid doen geen nut; maar4 de gerechtigheid5 redt van de dood. 3JAHWEH laat de ziel van de rechtvaardigen niet hongeren; maar de6 bezittingen van de goddelozen stoot Hij weg. 4c Die met7 een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand van de vlijtigen maakt rijk. 5Die in de zomer8 verzamelt, is een verstandig zoon; maar die in de oogst vast slaapt, is een zoon9 die beschaamd maakt. 610 Zegeningen zijn11 op het hoofd van de rechtvaardigen; maar het12 geweld13 bedekt de mond van de goddelozen. 7De herinnering van de14 rechtvaardigen zal tot zegening zijn; maar de naam van de15 goddelozen zal verrotten. 8Die wijs van hart is, neemt de16 geboden aan; maard die17 dwaas is van lippen, zal18 omgeworpen worden. 9Die19 in oprechtheid wandelt, wandelt20 zeker; maar die21 zijn wegen verkeert, zal22 bekend worden. 10Die23 met het oog wenkt, richt smart aan; en24 een dwaas van lippen25 zal omgeworpen worden. 11e De mond van de rechtvaardigen is een26 springader van het leven; maar27 het geweld bedekt de mond van de goddelozen. 12Haat verwekt krakelen;f maar28 de liefde29 dekt30 alle overtredingen toe. 13In de lippen van de verstandigen wordt wijsheid31 gevonden;g maar op de rug van32 de33 verstandelozen de roede. 14De wijzen34 leggen wetenschap weg; maar de mond van de dwazen is35 de verstoring nabij. 15Het goed van de rijke is een stad van zijn sterkte; de armoede van36 de geringen is hun verstoring. 16Het37 werk van de rechtvaardigen is38 ten leven;39 de inkomst van de goddelozen is40 ter zonde. 17Het pad41 tot het leven is van degene die de tucht bewaart; maar die de bestraffing verlaat,42 doet dwalen. 1843 Die de haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot. 19In de veelheid44 van de woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen weerhoudt, is kloek verstandig. 20De tong van de45 rechtvaardigen is uitgelezen zilver; het hart van de goddelozen is46 weinig waard. 21De lippen van47 de rechtvaardigen48 voeden er velen; maar de dwazen sterven49 door gebrek van verstand. 22De50 zegen van JAHWEH, die maakt rijk; en51 Hij voegt er geen52 smart53 bij. 23Het is voor de zoth als spel schandelijkheid te doen; maar voor een man van verstand,54 wijsheid te plegen. 24De55 vrees voor de goddelozen, die zal hem overkomen; maar de56 begeerte van de rechtvaardigen zal God geven. 2557 Gelijk een wervelwind voorbijgaat, zo is de goddeloze niet meer; maar de rechtvaardige58 is een eeuwige grondvest. 26Gelijk edik de tanden, en gelijk rook de ogen is,59 zo is de luie van hen, die hem uitzenden. 27i De vrees voor JAHWEH vermeerdert de60 dagen; maar de jaren van de goddelozen worden61 verkort. 28De hoop van de62 rechtvaardigen is blijdschap; maar dek verwachting van de63 goddelozen zal vergaan. 2964 De weg van JAHWEH isl voor de oprechte65 sterkte; maar voor de werkers van de66 ongerechtigheid verstoring. 30De rechtvaardige zal in eeuwigheid niet bewogen worden; maar de goddelozen zullen de aarde67 niet bewonen. 3168 De mond van de rechtvaardigen brengt overvloedig wijsheid voort; maar de69 tong van de verkeerdheden zal uitgeroeid worden. 32De lippen van de rechtvaardigen weten70 wat welbehaaglijk is; maar de mond van de71 goddelozen enkel verkeerdheid.