Ruth 3

1En Naomi, haar schoonmoeder, zei tot haar: Mijn dochter! zou ik u geen1 rust zoeken, dat het u welga? 2Nu dan, is niet Boaz, met wiens maagden u2 geweest bent, van3 onze bloedvriendschap? Zie, hij zal deze nacht4 gerst op de dorsvloer wannen. 3Zo baad u, en5 zalf u, en doe uw6 kleren7 aan, en ga af naar de dorsvloer; maar maak u de man niet bekend, voordat hij geëindigd zal hebben te eten en te drinken. 4En het zal gebeuren, als hij8 neerligt, dat u de plaats zult merken, waar hij zal neergelegen zijn;9 ga dan in, en10 sla zijn voetdeksel op, en leg u; zo zal hij u te kennen geven, wat u doen zult. 5En zij zei tot haar: Al wat u tot mij zegt, zal ik doen. 6Zo ging zij af naar de dorsvloer, en deed naar alles, wat haar schoonmoeder haar geboden had. 7Als nu Boaz gegeten en gedronken had, en zijn hart12 vrolijk was, zo kwam hij om neer te liggen aan het uiterste van een koren hoop. Daarna kwam zij stilletjes in, en sloeg zijn voetdeksel op, en legde zich. 8En het gebeurde te middernacht, dat die man verschrikte, en13 om zich greep; en ziet, een vrouw lag aan zijn voetdeksel. 9En hij zei: Wie bent u? En zij zei: Ik ben Ruth, uw dienstmaagd, breid dan uw vleugel uit over uw dienstmaagd, want u bent de losser. 10En hij zei: Gezegend bent u JAHWEH, mijn dochter! U hebt deze uw laatste weldadigheid beter gemaakt dan de eerste, omdat u geen jongemannen bent nagegaan, hetzij arm of rijk. 11En nu, mijn dochter, vrees niet; al wat u gezegd hebt, zal ik u doen; want de hele17 stad van mijn volk weet, dat u een18 deugdelijke vrouw bent. 12Nu dan, wel is waar, dat ik een losser ben; maar er is nog een losser, nader dan ik. 13Blijf deze nacht over; verder in de morgen zal het gebeuren, als hij u lost, goed, laat hem lossen; maar als het hem niet lust u te lossen, zo zal ik u lossen, zo waarachtig als JAHWEH leeft; leg u neer tot de morgen toe. 14Zo lag zij neer aan zijn voetdeksel tot de morgen toe; en zij stond op, voordat de één de ander kennen kon; want hij zei: Het worde niet bekend, dat een vrouw op de dorsvloer gekomen is. 15Verder zei hij: Lang de sluier, die op u is, en houd die; en zij hield hem; en hij mat zes maten gerst, en legde ze op haar; daarna ging hij in de stad. 16Zij nu kwam tot haar schoonmoeder, die zei: Wie bent u, mijn dochter? En zij verhaalde haar alles, wat die man haar gedaan had. 17Ook zei zij: Deze zes maten gerst heeft hij mij gegeven; want hij zei tot mij: Kom niet leeg tot uw schoonmoeder. 18Toen zei zij: Zit stil, mijn dochter, totdat u weet, hoe de zaak zal vallen; want die man zal niet rusten, tenzij dat hij heden deze zaak voltooid hebbe.