Ruth 1

Boekinleiding lees meer ▾ DIT Boek wordt genoemd het Boek Ruth, omdat daarin voornaamlijk haar Historie verhaalt wordt, te weten, hoe zij door occasie van haar eerste houwelijk aan Elimelechs zon van de heidense Afgoderije bek...
DIT Boek wordt genoemd het Boek Ruth, omdat daarin voornaamlijk haar Historie verhaalt wordt, te weten, hoe zij door occasie van haar eerste houwelijk aan Elimelechs zon van de heidense Afgoderije bekeert zij tot de ware Religie, en verder met haar schoon-moeder Naomi uit het Land van de Moabiten tot Bethlehem Iuda gekomen zijnde, door een wonderlijke regering Gods getrouwt zij aan BoaZ, en alzo (niet tegenstaande dat zij van heidense afkomst was) geworden d’ over-grootmoeder van David, en volgens mede een moeder onze Heeren en Salichmakers I. CHRISTUS, na de vleese, tot een spiegel van Gods onbegrijplijke genade, en een voorbeelt van de Roeping van de heidenen tot de gemeenschap onze Heeren CHRISTUS, van de beloofden zaats. Deze Historie gehoort tot de regering van de Richteren, in ’t voorgaande boek vermeldt, passende op een tijt van honger en dierte in Israël. Sommige houden ’t daarvoor, dat Ruth te Bethlehem gekomen zij omtrent het jaar van de Schepping 2730. onder de Richter Thola, als enige jaren tevoren Israël door de Midianiten in grote benaauwdheid en gebrek van alles gebracht was, Zoals Iudic. 6:4. verhaalt wordt.
1In de dagen, als de1 richters richtten, zo gebeurde het, dat er honger in2 het land was; daarom trok een man van3 Bethlehem-juda, om als vreemdeling te verkeren in de4 velden Moabs, hij, en zijn huisvrouw, en zijn twee zonen. 2De naam nu van deze man was Elimelech, en de naam van zijn huisvrouw5 Naomi, en de naam van zijn twee zonen Machlon en Chiljon,6 Efrathers, van Bethlehem-juda; en zij kwamen in de velden Moabs, en7 bleven daar. 3En Elimelech, de man van Naomi, stierf; maar zij werd overgelaten met haar twee zonen. 4Die namen zich8 Moabietische vrouwen; de naam van de ene was Orpa, en de naam van de andere Ruth; en zij bleven daar ongeveer tien jaren. 5En die twee, Machlon en Chiljon, stierven ook; zo werd9 deze vrouw overgelaten na haar twee zonen en na haar man. 6Toen maakte zij zich op met haar schoondochters, en keerde weer10 uit de velden van Moab; want zij had gehoord in het land van Moab, dat JAHWEH Zijn volk11 bezocht had, gevende hun12 brood. 7Daarom ging zij uit van de plaats, waar zij geweest was en haar twee schoondochters met haar. Als zij nu gingen op de weg, om13 weer te keren naar het land van Juda, 8Zo zei Naomi tot haar twee schoondochters: Gaat heen, keert weer, ieder tot het huis van haar moeder; JAHWEH doe bij u weldadigheid, zoals u gedaan hebt bij de doden, en bij mij. 9JAHWEH geve u, dat u16 ruste vindt, ieder in het17 huis van haar man! En als zij18 haar kuste, hieven zij haar stem op en huilden; 10En zij zeiden tot haar: Wij zullen zeker met u19 terugkeren tot uw volk. 11Maar Naomi zei: Keert weer, mijn dochters! Waarom zou u met mij gaan? Heb ik nog zonen in mijn lichaam, dat zij u tot mannen zouden zijn? 12Keert weer, mijn dochters! Gaat heen; want ik ben te oud om een man te hebben. Wanneer ik al zei: Ik heb hoop, of ik ook in deze nacht een man had, ja, ook zonen baarde; 13Zou u daarnaar wachten, totdat zij zouden groot geworden zijn; zou u daarnaar opgehouden worden, om24 geen man te nemen? Niet, mijn dochters! Want25 het is mij veel bitterder dan u; maar de26 hand van JAHWEH is tegen mij uitgegaan. 14Toen hieven zij haar stem op, en huilden opnieuw; en Orpa kuste haar27 schoonmoeder, maar Ruth28 kleefde haar aan. 15Daarom zei zij: Zie, uw zwagerin is teruggekeerd tot haar volk en tot haar goden; keer u ook weer, uw zwagerin na. 16Maar Ruth zei: Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten, om van achter u weer te keren; want waar u zult heengaan, zal ik ook heengaan, en waar u zult overnachten, zal ik overnachten; uw volk is mijn volk, en uw God mijn God. 17Waar u zult sterven, zal ik sterven, en daar zal ik begraven worden;33 zo doe mij JAHWEH en zo doe Hij daartoe, zo niet de dood alleen zal scheiding maken tussen mij en tussen u! 18Als zij nu zag, dat zij vast voorgenomen had met haar te gaan, zo hield zij op tot haar te spreken. 19Zo gingen die beiden, totdat zij te Bethlehem inkwamen; en het gebeurde, als zij te Bethlehem inkwamen, dat de hele stad over haar beroerd werd, en34 zij zeiden: Is dit Naomi? 20Maar zij zei tot hen: Noemt mij niet Naomi, noemt mij Mara; want de Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan. 2139 Vol trok ik weg, maar40 leeg heeft mij JAHWEH doen terugkeren; waarom zou u mij Naomi noemen, daar JAHWEH tegen mij41 getuigt, en de Almachtige mij42 kwaad aangedaan heeft? 22Zo kwam Naomi weer, en Ruth, de Moabietische, haar schoondochter, met haar, die uit de velden Moabs43 terugkwam; en zij kwamen te Bethlehem in het begin van de gersteoogst.