Romeinen 2

11 Daarom bent u niet te verontschuldigen, o mens, wie u bent,2 die anderen oordeelt;a want waarin u een ander oordeelt, veroordeelt u uzelf; want u, die anderen oordeelt, doet3 dezelfde dingen. 2En4 wij weten, dat het oordeel van God5 naar waarheid is, over degenen, die zulke dingen doen. 3En denkt u dit, o mens, die oordeelt degenen, die zulke dingen doen, en6 dezelfde doet, dat u het oordeel van God zult ontvluchten? 4Of veracht u7 de rijkdom van Zijn8 goedertierenheid, en9 verdraagzaamheid, en10b geduld,c niet wetende, dat de goedertierenheid van God u11 tot bekering leidt? 5Maar naar uw12 hardheid, en onbekeerlijk hart,13d verzamelt u uzelf toorn als een schat,14 in de dag van de toorn, en van de openbaring van het rechtvaardig oordeel van God. 6e Die een ieder15 vergelden zal naar zijn werken; 7Degenen wel, die met16 volharding17 in goeddoen, heerlijkheid, en eer, en18 onvergankelijkheid zoeken, het eeuwige leven; 8f Maar degenen,19 die twistgierig zijn, en die20 van de waarheid ongehoorzaam, maar van de ongerechtigheid gehoorzaam zijn, zal toorn en21 toorn vergolden worden; 922 Verdrukking en benauwdheid over alle ziel van de mensen, die het kwade werkt, eerst van de Jood, en ook van de Griek; 10Maar23 heerlijkheid, en eer, en vrede een ieder die het goede werkt, eerst de Jood, en ook de Griek. 11g Want er is geen aanneming24 van de persoon bij God. 12Want zovelen, als er25 zonder wet gezondigd hebben, zullen ook26 zonder wet verloren gaan; en zovelen, als er27 onder de wet gezondigd hebben, zullen28 door de wet geoordeeld worden; 13(Want29h de hoorders van de wet30 zijn niet rechtvaardig voor God, maar31 de daders van de wet zullen32 gerechtvaardigd worden; 14Want wanneer de heidenen, die33 de wet niet hebben, van nature34 de dingen doen, die van de wet zijn, deze, de wet niet hebbende,35 zijn zichzelf een wet; 15Als die36 betonen37 het werk van de wet geschreven in hun harten, hun geweten medegetuigende, en de gedachten onder elkaar38 hen beschuldigende, of ook39 ontschuldigende). 1640i In de dag wanneer God de verborgen dingen van de mensen zal oordelen door Jezus Christus,41 naar mijn Evangelie. 17Zie,42 u wordt43 een Jood genoemd44k en rust op de wet; en45 roemt op God, 18En u weet Zijn wil, en beproeft de dingen,46 die daarvan verschillen,47 zijnde onderwezen uit de wet; 19En u betrouwt uzelf te zijn een leidsman van de blinden, een licht van degenen, die in duisternis zijn; 20Een onderrichter van de onwijzen, en een leermeester48 van de onwetenden, hebbende49 de gedaante van de kennis en van de waarheid in de wet. 21Die dan een ander leert,50 leert u uzelf niet? Die predikt, dat men niet stelen zal,51 steelt u? 22Die zegt, dat men geen overspel doen zal, doet u overspel? Die van de afgoden een gruwel hebt,52 berooft u het heilige? 23Die op de wet roemt, onteert u God door de overtreding van de wet? 24Want de Naam van God53 wordt om uwentwil gelasterd onder de heidenen,l zoals geschreven is. 25Want de besnijdenis is wel nut,54 als u de wet doet; maar als u een overtreder van de wet bent, zo is uw besnijdenis55 voorhuid geworden. 26Als dan56 de voorhuid de57 rechten van de wet bewaart, zal niet58 zijn voorhuid59 tot een besnijdenis gerekend worden? 27En zal60 de voorhuid, die uit de natuur is,61 als zij de wet volbrengt,62 u niet oordelen, die door63 de letter en besnijdenis een overtreder van de wet bent? 28m Want die64 is niet een Jood, die65 het in het openbaar is; noch die is de66 besnijdenis, die het in het openbaar in het vlees is; 29Maar die is67 een Jood, die het in het verborgen is, en68n de besnijdenis van de harten,69 in de geest, niet70 in de letter, is71 de besnijdenis; wiens lof72 niet is uit de mensen,73 maar uit God.