Richteren 8

11 Toen zeiden de mannen vana Efraïm tot hem: Wat2 stuk is dit, dat u ons gedaan hebt, dat u ons niet riept, toen u heentrok om te strijden tegen de Midianieten? En zij twistten sterk met hem. 2Hij daarentegen zei tot hen: Wat heb ik nu gedaan, zoals u; zijn niet de nalezingen van Efraïm beter dan de wijnoogst van Abi-ezer? 3God heeft de vorsten van de Midianieten, Oreb en Zeëb, in uw hand gegeven;6 wat heb ik dan kunnen doen, zoals u? Toen liet hun7 toorn van hem af, als hij dit woord sprak. 4Als nu Gideon gekomen was aan de Jordaan, ging hij over, met de driehonderd mannen, die bij hem waren, zijnde moe, toch8 vervolgende. 5En hij zei tot de mensen van Sukkoth: Geeft toch enige bollen broods aan het volk, dat mijn voetstappen volgt, want zij zijn moe; en ik jaag Zebah en Tsalmuna, de koningen van de Midianieten, achterna. 6Maar de oversten van Sukkoth12 zeiden:13 Is dan de handpalm van Zebah en Tsalmuna al in uw hand, dat wij aan uw leger brood zouden geven? 7Toen zei Gideon: Daarom, als JAHWEH Zebah en Tsalmuna in mijn hand geeft, zo zal ik uw vlees dorsen met doornen van de woestijn, en met distelen. 8En hij trok van daar op naar16 Pnuël, en sprak tot17 hen evenzo. En de mensen van Pnuël antwoordden hem, zoals de mensen van Sukkoth geantwoord hadden. 9Daarom sprak hij ook tot de mensen van Pnuël, zeggende: Als ik met vrede terugkome, zal ik deze toren afwerpen. 10Zebah nu en Tsalmuna waren te Karkor, en hun legers met hen, ongeveer vijftien duizend, al de overgeblevenen van het hele leger van de kinderen van het oosten; en de19 gevallenen waren honderd en twintig duizend mannen, die het zwaard20 uittrokken. 11En Gideon trok opwaarts, de weg van degenen, die in21 tenten wonen, tegen het oosten van22 Nobah en Jogbeha; en hij sloeg dat leger, want het leger was23 zorgeloos. 12En Zebah en Tsalmuna vluchtten; maar hij jaagde hen na; en hijb ving de beide koningen van de Midianieten, Zebah en Tsalmuna, en24 verschrikte het hele leger. 13Toen nu Gideon, de zoon van Joas, van de strijd terugkwam,25 voor de opgang van de zon, 14Zo ving hij een jongen van de mensen te Sukkoth, en ondervraagde hem; die26 schreef hem op de oversten van Sukkoth, en hun oudsten, zeven en zeventig mannen. 15Toen kwam hij tot de mensen van Sukkoth, en zei: Zie daar Zebah en Tsalmuna, van die u mij smadelijk verweten hebt, zeggende: Is de handpalm van Zebah en Tsalmuna al in uw hand, dat wij aan uw mannen, die moe zijn, brood zouden geven? 16En hij nam de oudsten van die stad, en doornen van de woestijn, en distelen, en deed het de mensen van Sukkoth daardoor27 verstaan. 17En de toren van Pnuël wierp hij af, en doodde de28 mensen van de stad. 18Daarna zei hij tot Zebah en Tsalmuna: Wat waren het voor mannen, die u te Thabor doodsloegt? En zij zeiden: Zoals u, zo waren zij, enerlei, van gedaante als koningszonen. 19Toen zei hij: Het waren mijn broers, zonen van mijn moeder; zo werkelijk als JAHWEH leeft, zo u hen had laten leven, ik zou u niet doden! 20En hij zei tot Jether, zijn eerstgeborene: Sta op, dood hen; maar de jongeling trok zijn zwaard niet uit, want hij vreesde, omdat hij nog een jongeling was. 21Toen zeiden Zebah en Tsalmuna: Sta u op, en val op ons aan, want naar dat de man is, zo is zijn macht.c Zo stond Gideon op, en doodde Zebah en Tsalmuna, en nam de30 maantjes, die aan de halzen van hun kamelen waren. 22Toen zeiden de31 mannen van Israël tot Gideon: Heers over ons,32 zo u als uw zoon en van uw zoon zoon, omdat u ons van de Midianieten hand verlost hebt. 23Maar Gideon zei tot hen: Ik zal over u niet heersen; ook zal mijn zoon over u niet heersen; JAHWEH zal over u heersen. 24Verder zei Gideon tot hen: Een begeerte zal ik van u begeren: geeft mij maar ieder een voorhoofdsiersel van zijn roof; want zij hadden gouden voorhoofdsierselen gehad, omdat zij Ismaëlieten waren. 25En zij zeiden: Wij zullen37 ze graag geven; en zij spreidden een kleed uit, en wierpen daarop ieder een voorhoofdsiersel van zijn roof. 26En het gewicht van de gouden voorhoofdsierselen, die hij begeerd had, was duizend en zevenhonderd38 sikkelen gouds, zonder de maantjes, en39 ketenen, en purperen kleren, die de koningen van de Midianieten aangehad hadden, en zonder de halsbanden, die aan de halzen van hun kamelen geweest waren. 27En Gideon maakte daarvan een40 efod, en41 stelde die in zijn stad, te Ofra; en geheel Israël42 hoereerde daar die na; en het werd Gideon en zijn huis tot een43 valstrik. 28Zo werden de Midianieten te ondergebracht voor het aangezicht van de kinderen van Israël, en44 hieven hun hoofd niet meer op. En het land was stil veertig jaren,45 in de dagen van Gideon. 29En46 Jerubbaäl, de zoon van Joas, ging heen en47 woonde in zijn huis. 30Gideon nu had zeventig zonen, die uit zijn48 heupe voortgekomen waren; want hij had vele vrouwen. 31En zijn49 bijwijf, dat te50 Sichem was, baarde hem ook een zoon; en hij51 noemde zijn naam52 Abimelech. 32En Gideon, de zoon van Joas, stierf in goede53 ouderdom; en hij werd begraven in het graf van zijn vader Joas, te Ofra, van54 de Abi-ezriets. 33En het gebeurde, als Gideon gestorven was, dat de kinderen van Israël zich omkeerden, en de Baäls nahoereerden; en zij stelden zich55 Baäl-berith tot een God. 34En de kinderen van Israël dachten niet aan JAHWEH, hun God, Die hen gered had van de hand van al hun vijanden van rondom. 35En zij deden56 geen weldadigheid bij het huis van Jerubbaäl, dat is Gideon, naar al het goede, dat hij bij Israël gedaan had.