Richteren 17
11 En er was een man van het gebergte van Efraïm, wiens naam was Micha.
2Die zei tot zijn moeder: De duizend en honderd zilverlingen, die u ontnomen zijn, om die u gevloekt hebt, en ook voor mijn oren gesproken hebt, zie, dat geld is bij mij, ik heb dat genomen. Toen zei zijn moeder: Gezegend zij mijn zoon JAHWEH!
3Zo gaf hij aan zijn moeder de duizend en honderd zilverlingen weer. Maar zijn moeder zei: Ik heb dat geld JAHWEH geheel geheiligd van mijn hand, voor mijn zoon, om een gesneden beeld en een gegoten beeld te maken; zo zal ik het u nu teruggeven.
4Maar hij gaf dat geld aan zijn moeder weer. En zijn moeder nam tweehonderd zilverlingen, en gaf ze de goudsmid, die maakte daarvan een gesneden beeld en een gegoten10 beeld; dat was in het huis van Micha.
5En de man Micha had een godshuis; en hij11 maakte een12 efod, en13 terafim, en14 vulde de hand van één uit zijn zonen, dat hij hem tot een15 priester was.
6a In die dagen was er geen16 koning in Israël; ieder deed, wat recht was in zijn ogen.
7Nu was er een17 jongeling van Bethlehem-juda,18 van het geslacht van Juda; deze was een Leviet, en verkeerde daar als vreemdeling.
8En deze man was uit die stad, uit Bethlehem-juda getrokken, om te verkeren, waar hij gelegenheid zou vinden. Als hij nu kwam aan het gebergte van Efraïm tot aan het huis van Micha, om zijn weg te19 gaan,
9Zo zei Micha tot hem: Vanwaar komt u? En hij zei tot hem: Ik ben een Leviet, van Bethlehem-juda, en ik wandel, om te verkeren, waar ik gelegenheid zal vinden.
10Toen zei Micha tot hem: Blijf bij mij, en wees mij tot een vader en tot een priester; en ik zal u jaarlijks geven tien zilverlingen, en orde van kleren, en uw leeftocht; zo ging de Leviet met hem.
11En de Leviet bewilligde bij die man te blijven; en de jongeling was hem24 als één van zijn zonen.
12En Micha25 vulde de hand van de Leviet, dat hij hem tot een priester werd; zo was hij in het huis van Micha.
13Toen zei Micha: Nu weet ik, dat JAHWEH mij weldoen zal, omdat ik deze Leviet tot een priester heb.