Richteren 1
Boekinleiding
lees meer ▾
DIT Boek begrijpt een zeer aanmerkelijke Historie van Israëls staat, zo in Religie als Policie, na de dood van Iosua, tot aan het Priesterdom en Richterschap van Eli; voornaamlijk, onder het Gouvernem...
DIT Boek begrijpt een zeer aanmerkelijke Historie van Israëls staat, zo in Religie als Policie, na de dood van Iosua, tot aan het Priesterdom en Richterschap van Eli; voornaamlijk, onder het Gouvernement van de Richteren, dat is, alsulke Personagien (niet, die de Iustitie of het ordinaris Richter-ambt onder de volk bedient hebben, Zoals dit woord andersins genomen wordt, maar) die God nu en dan, na dat Israëls staat vereiste, nu uit deze, dan uit die Stam, na zijn believen extraordinaarlijk verwekt, beroepen, en met zijn Geest van de wijsheid en dapperheid begaafd en gedreven heeft, om zijn en zijn volcx recht tegen Israëls verdrukkers en vijanden victorieuslijk uit te voeren, de vervallenen Gods-dienst te herstellen, en te hanthaven, Israël bij de vryheid en de heilige wetten, die zij van God ontvangen hadden, te beschermen, en met raat en daat in voorvallende zwarigheid bij te staan.
1En het gebeurde na de dood van Jozua, dat de kinderen van Israël JAHWEH vroegen, zeggende: Wie zal onder ons het eerst optrekken naar de Kanaänieten, om tegen hen te krijgen?
2En JAHWEH zei: Juda zal optrekken, zie, Ik heb dat land in zijn hand gegeven.
3Toen zei Juda tot zijn broer Simeon: Trek met mij op in mijn lot, en laat ons tegen de Kanaänieten oorlogen, zo zal ik ook met u optrekken in uw lot. Zo trok Simeon op met hem.
4En Juda trok op, en JAHWEH gaf de Kanaänieten en de Ferezieten in5 hun hand; en zij sloegen hen6 bij Bezek, tien duizend man.
5En zij vonden Adoni-Bezek te Bezek, en streden tegen hem; en zij sloegen de Kanaänieten en de Ferezieten.
6Maar Adoni-Bezek vluchtte; en zij jaagden hem na, en zij grepen hem, en7 hieuwen de duimen van zijn handen en van zijn voeten af.
7Toen zei Adoni-Bezek: Zeventig koningen, met afgehouwen duimen van hun handen en van hun voeten, waren onder mijn tafel, de kruimen oplezende; zoals ik gedaan heb, zo heeft mij God vergolden! En zij brachten hem te Jeruzalem, en hij stierf daar.
8Want de kinderen van Juda9 hadden tegen Jeruzalem gestreden, en hadden10 haar ingenomen, en met de11 scherpte van het zwaard geslagen; en zij hadden de stad in het vuur12 gezet.
9b En13 daarna waren de kinderen van Juda afgetrokken, om te krijgen tegen de Kanaänieten, wonende in het gebergte, en in het zuiden, en in de laagte.
10c En14 Juda was heengetrokken tegen de Kanaänieten, die te15 Hebron woonden (de naam nu van Hebron was tevoren Kirjath-Arba), en zij sloegen Sesai,16 en Ahiman, en Thalmai.
11En van daar was17 hij heengetrokken tegen de inwoners vand Debir; de naam nu van18 Debir was tevoren Kirjath-Sefer.
12En Kaleb zei: Wie Kirjath-Sefer zal slaan, en haar innemen, die zal ik ook mijn dochter Achsa tot een vrouw geven.
13Toen nam Othniël haar in,19 de zoon van Kenaz,20 broer van Kaleb,21 die jonger was dan hij; en Kaleb gaf hem Achsa, zijn dochter, tot een vrouw.
14En het gebeurde, als zij tot hem kwam, dat zij hem aanporde, om van haar vader een veld te begeren; en zij sprong van de ezel af; toen zei Kaleb tot haar: Wat is u?
15En zij zei tot hem: Geef mij een zegen; omdat u mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook waterwellingen. Toen gaf Kaleb haar hoge wellingen en lage wellingen.
16De kinderen van26 de Keniet, de schoonvader van Mozes, trokken ook uit27 de Palmstad op, met de kinderen van Juda, naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van28 Harad is;29 en zij gingen heen en woonden met het volk.
1730 Juda dan trok met zijn broer Simeon, en zij sloegen de Kanaänieten, wonende te31 Zefat, en zij32 verbanden hen; en men noemde de naam van deze stad33 Horma.
18Daartoe nam Juda34 Gaza in, met haar35 gebied, en Askelon met haar gebied, en Ekron met haar gebied.
19En JAHWEH was met Juda, dat hij de inwoners van het gebergte verdreef; maar36 hij ging niet voort om de inwoners van het dal te verdrijven,37 omdat zij ijzeren wagens hadden.
20En zij gaven38 Hebron aan Kaleb, zoals Mozes gesproken had; en hij verdreef van daar de39 drie zonen van Enak.
21Maar de kinderen van Benjamin hebben de Jebusieten,40 te Jeruzalem wonende, niet verdreven; maar de Jebusieten woonden met de kinderen van Benjamin te Jeruzalem, tot op41 deze dag.
22En het huis van Jozef trok ook op naar Beth-El. En JAHWEH was met hen.
23En het huis van Jozef bestelde spionnen bij Beth-El; de naam nu van deze stad was tevoren42 Luz.
24En de43 wachters zagen een man, uitgaande uit de stad; en zij zeiden tot hem: Wijs ons toch de ingang van de stad, en wij zullen weldadigheid bij u doen.
25En als hij hun de ingang van de stad gewezen had, zo sloegen zij de stad met de scherpte van het zwaard; maar die man en zijn hele huis lieten zij gaan.
26Toen trok deze man in het land van44 de Hethieten, en hij bouwde een stad, en noemde haar naam Luz; dit is haar naam tot op deze dag.
27En45 Manasse verdreef46 Beth-Sean niet, noch haar47 onderhorige plaatsen, noch48 Thaänach met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Dor met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van49 Jibleam met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Megiddo met haar onderhorige plaatsen; en de Kanaänieten50 wilden wonen in hetzelfde land.
28En het gebeurde, als Israël sterk werd, dat hij de Kanaänieten op belasting stelde; maar hij verdreef51 hen niet geheel.
29Ook verdreef Efraïm de Kanaänieten niet, die te52 Gezer woonden; maar de Kanaänieten woonden in het midden van hem te Gezer.
30Zebulon verdreef de inwoners van53 Kitron niet, noch de inwoners van54 Nahalol; maar de Kanaänieten woonden in het midden van55 hem, en waren schatplichtig.
31Aser verdreef de inwoners van56 Acco niet, noch de inwoners van Sidon, noch57 Achlab, noch Achsib, noch Chelba, noch Afik, noch Rechob;
32Maar de Aserieten woonden in het midden van de Kanaänieten, die in het land woonden; want zij verdreven hen niet.
33Nafthali verdreef de inwoners van58 Beth-Semes niet, noch de inwoners van Beth-Anath, maar woonde in het midden van de Kanaänieten, die in het land woonden; maar de inwoners van Beth-Semes en Beth-Anath werden hun schatplichtig.
34En de Amorieten drongen de kinderen van Dan in het gebergte; want zij lieten hun niet toe, af te komen in59 het dal.
35Ook60 wilden de Amorieten wonen op het gebergte van Heres, te61 Ajalon, en te Saalbim; maar de hand van het huis van Jozef werd zwaar, zodat zij62 schatplichtig werden.
36En het gebied van de Amorieten was van de opgang van63 Akrabbim, van de64 rotssteen, en opwaarts heen.