Psalmen 86

11 Een gebed van David. JAHWEH! neig Uw oor, verhoor mij; want ik ben ellendig en arm. 2Bewaar mijn ziel, want ik ben2 Uw gunstgenoot, o U, mijn God! verlos3 Uw knecht, die op U betrouwt. 3Wees mij genadig, JAHWEH! want ik roep tot U de hele dag. 4Verheug de ziel van Uw knecht; want4 tot U, JAHWEH! verhef ik mijn ziel. 5Want U, JAHWEH! bent goed, en5 graag vergevende, en van grote goedertierenheid allen, die U aanroepen, JAHWEH! 6JAHWEH! neem mijn gebed ter ore, en merk op de stem van mijn smekingen. 7a In de dag van mijn benauwdheid roep ik U aan, want U verhoort mij. 86 Onder de goden is niemand U gelijk, Heere! en erb zijn geen gelijk Uw werken. 9Al de heidenen, Heere! die U gemaakt hebt,7 zullen komen, en zullen zich voor Uw aangezicht neerbuigen, en Uw Naam eren. 10Want U bent groot, en doet wonderwerken; U alleen bent God. 11c Leer mij, JAHWEH!8 Uw weg; ik zal9 in Uw waarheid wandelen; verenig mijn hart10 tot de vrees voor uw Naam. 12Heere, mijn God! ik zal U met mijn hele hart loven, en ik zal Uw Naam eren in eeuwigheid; 13Want Uw goedertierenheid is groot over mij; en U hebt11 mijn ziel uit12 het onderste van het graf uitgerukt. 14O God!d de hoogmoedigen staan tegen mij op, en de vergaderingen van de tirannen zoeken mijn ziel; en13 zij stellen U niet voor hun ogen. 15Maar U, Heere!e bent een barmhartig en genadig God,14 geduldig, en groot van goedertierenheid en15 waarheid. 16Wend U tot mij, en wees mij genadig,16 geef Uw knecht Uw sterkte, en verlos17 de zoon van Uw dienstmaagd. 17Doe aan mij een teken18 ten goede, opdat het mijn haters zien, en beschaamd worden,19 als U, JAHWEH! mij geholpen, en mij getroost zult hebben.