Psalmen 42
11 Een onderwijzing, voor de2 opperzangmeester, onder de3 kinderen van Korach.
2Gelijk een4 hert5 schreeuwt naar de waterstromen, zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!
3a Mijn ziel6 dorst naar God, naar de levende God; wanneer zal ik7 ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?
4b Mijn tranen zijn mij tot8 voedsel dag en nacht; omdat zij de hele dag tot mij zeggen:9 Waar is uw God?
5Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit10 in mij, omdat ik was gewend heen te gaan onder de menigte, en met hen11 te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte.
6c Wat12 buigt u u neer, o mijn ziel! en bent onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven13 voor de verlossingen van Zijn14 aangezicht.
7O mijn God! mijn ziel buigt zich neer in mij, daarom gedenk ik aan U uit het land van15 de Jordaan, en16 Hermon, uit het17 klein gebergte.
818 De afgrond roept tot de afgrond, bij19 het gedruis20 van Uw watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan.
921 Maar JAHWEH zal overdag Zijn goedertierenheid22 gebieden, en in de nacht23 zal Zijn lied bij mij zijn; het gebed tot de God24 van mijn leven.
10Ik zal zeggen tot God:25 Mijn Steenrots! waarom26 vergeet U mij? Waarom ga ik in27d het zwart, vanwege de onderdrukking van de vijand?
11Met een28 doodsteek in mijn beenderen honen mij mijn tegenstanders, als zij de hele dag tot mij zeggen: Waar is uw God?
12Wat buigt u u neer, o mijn ziel! en wat bent u onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de29 veelvuldige Verlossing van mijn aangezicht, en mijn God.