Prediker 5
11 Wees niet te snel met uw mond, en uw hart haaste niet2 één woord voort te brengen voor Gods aangezicht; want God is in de hemel, en3 u bent op de aarde; daarom4 laat uw woorden weinig zijn.
2Want5 gelijk de droom komt door veel bezigheid, zo de stem van de zots door de veelheid van de woorden.
3a Wanneer u een gelofte aan God zult beloofd hebben, stel niet daaruit te betalen; want Hij heeft geen lust6 aan zotten; wat u zult beloofd hebben, betaal het.
4b Het is beter, dat u niet belooft, dan dat u belooft en niet betaalt.
5Laat uw mond niet toe, dat hij7 uw vlees8 zou doen zondigen;9 en zeg niet voor het aangezicht10 van de engels, dat het11 een dwaling was;12 waarom zou God enorm toornen,13 om uw stem wille, en14 verderven het werk van uw handen?
6Want15 gelijkc in de veelheid van de dromen zinloosheden zijn, zo16 in veel woorden;17 maar vrees u God!
718 Als u de onderdrukking van de armen, en de beroving van het gericht en van de gerechtigheid ziet in een landschap,19 verwonder u niet over zulk een20 voornemen; want die21 hoger is dan de hoge,22 neemt er acht op; en daar zijn23 hogen24 boven hen.
825 Het voordeel van het aarde is26 voor allen: de koning zelfs27 wordt van het veld gediend.
9Die het geld liefheeft, wordt van het geld niet zat; en28 wie de overvloed liefheeft, wordt van het inkomen niet zat. Dit is ook zinloosheid.
1029 Waar het goed vermenigvuldigt, daar vermenigvuldigen ook die het eten;30 wat nut31 hebben dan de32 bezitters daarvan,33 dan het gezicht van hun ogen?
1134 De slaap van de arbeiders is zoet, hij hebbe weinig of veel gegeten; maar35 de zatheid van de rijken laat hem niet slapen.
12Er is een36 kwaad, dat ziekte aanbrengt, dat ik zag onder de zon:37 rijkdom van38 zijn bezitters bewaard tot39 hun eigen kwaad.
13Of de rijkdom zelf vergaat40 door een moeilijke bezigheid; en41 hij gewint een zoon, en42 er is niet met al in zijn hand.
14Zoals43 hij voortgekomen is uit van zijn moeders buik, zo zal hij naakt terugkeren, gaande zoals hij gekomen was; end hij zal niet meenemen44 van zijn arbeid, dat hij met zijn hand zou wegdragen.
15Daarom is dit ook een kwaad, dat ziekte aanbrengt; dat hij in alle manier, zoals hij45 gekomen is, zo46 heen gaat; en wat voordeel is het hem, dat hij47 in de wind gewerkt heeft?
16Dat hij ook al zijn dagen48 in duisternis gegeten heeft; en dat hij veel verdriets gehad heeft, ook49 zijn ziekte, en50 onstuimigen toorn?
17Ziet, wat ik gezien heb,e een goede zaak, die schoon is:51 te eten en te drinken, en te52 genieten het goede van al zijn arbeid, die hij bearbeid heeft onder de zon, gedurende het getal van de dagen van zijn leven, dat God hem geeft;53f want dat is zijn deel.
18Ook ieder mens, aan die God rijkdom en goederen gegeven heeft, en Hij54 geeft hem de macht, om daarvan te eten, en om zijn deel te nemen, en om zich te verheugen van zijn arbeid, dat is een gave van God.
19Want55 hij zal niet veel gedenken aan de dagen van zijn leven,56 omdat hem God verhoort in57 de blijdschap van zijn hart.