Prediker 10
11 Een dode vlieg doet2 de zalf van de apothekers stinken en opwellen;3 zo een weinig dwaasheid een man, die kostelijk is4 van wijsheid en van eer.
25 Het hart van de wijzen is tot zijn rechterhand, maar het hart van een zot6 is tot zijn linkerhand.
3En ook wanneer de dwaas op de weg wandelt,7 zijn hart ontbreekt hem, en8 hij zegt9 tot ieder, dat hij dwaas is.
4Als10 de geest van de heersers tegen u oprijst, verlaat11 uw plaats niet; want het is12 medicijn, het13 stilt grote zonden.
5Er is nog een kwaad, dat ik gezien heb onder de zon, als een14 dwaling, die van het aangezicht van de oversten15 voortkomt.
616 Een dwaas wordt gezet17 in grote hoogheden, maar18 de rijken zitten19 in de laagte.
7Ik heb20 knechten te paard gezien, en21 vorsten, gaande als knechten22 op de aarde.
823 Wiea een kuil graaft, zal daarin vallen; en wie een muur doorbreekt,24 een slang zal hem bijten.
9Wie25 stenen26 wegdraagt,27 zal smart daardoor lijden; wie hout klieft, zal daardoor28 in gevaar zijn.
10Als29 hij30 het ijzer heeft stomp gemaakt, en hij slijpt31 de snede niet,32 dan moet hij meerder kracht te werk stellen;33 maar de wijsheid is een uitnemende zaak, om iets recht te maken.
11Als de slang gebeten heeft,34 voordat de bezwering geschied is, dan35 is er geen nut voor de allerwelsprekendsten bezweerder.36
12De woorden van een wijze37 mond zijn aangenaam; maar de lippen van een38 zot verslinden hemzelf.
13Het begin van de woorden van zijn mond is dwaasheid, en het einde39 van zijn mond40 is boze dolligheid.
1441 De dwaas maakt wel veel woorden; maar de mens weet niet, wat het zij, dat gebeuren zal; en42 wat na hem gebeuren zal, wie zal het hem te kennen geven?
15De arbeid van de zotten43 maakt ieder van hen moe;44 omdat zij niet weten naar de stad te gaan.
16Wee u,45 land! waarvan de koning een kind is46, en waarvan de vorsten tot in de morgenstond eten474849!
17Welgelukzalig bent u, land! waarvan de koning een zoon van de edelen is50, en waarvan de vorsten op de juiste tijd eten51,52 tot sterkte en niet tot drinkerij.
18Door53 grote luiheid54 verzwakt het gebint, en55 door slapheid van de handen56 wordt het huis doorlekkende.
1957 Men maakt58 maaltijden om te59 lachen, en de wijn verheugt60 de levenden, en het61 geld verantwoordt alles.
20Vloek de koning niet, zelfs62 in uw gedachten, en vloek de rijke niet in het binnenste van uw slaapkamer;63 want het gevogelte van de hemel64 zou de stem wegvoeren, en65 het gevleugelde zou66 het woord67 te kennen geven.