Prediker 1
Boekinleiding
lees meer ▾
VEle onder de Geleerde houden het daarvoor, dat Salomo dit Boek geschreven heeft in zijn grote ouderdom, na dat hij vele jaren van het rechte pad van de ware godsvrucht was afgetreden, maar nu opnieuw...
VEle onder de Geleerde houden het daarvoor, dat Salomo dit Boek geschreven heeft in zijn grote ouderdom, na dat hij vele jaren van het rechte pad van de ware godsvrucht was afgetreden, maar nu opnieuw tot God bekeert. (Ziet de aanteek. 2. Chron. 11. op vers. 17.) In het welke hij door het ingeven van de heiligen Geestes, voor de gehele Gemeente van de Heeren, is betuigend zijn eernstich berouw en leetwesen over zijn voorgaande leven, verfoeiende het zelf, als zijnde ydelheid van de ydelheden, door de welke de mens niet en can vercrijgen de tijdelijke ruste, en ’t genoegen van de gemoets, veel weiniger het hoogste goet, ’t welk is de eeuwige zaligheid. Tegelijke is zijn voornemen, Alle Mensen met zijn exempel of voorgank aan te leiden tot vromigheid en godsvrucht. Tot deze ein de beschrijft hij voor eerst in het corte de loop zijn levens, en waarin dat hij principalijk zijn genoechte en vermaak genomen hebbe. Daarna verhaalt hij ook, dat hij gelett heeft op de handel en wandel daar mede haar vele Mensen in dit leven meest becommeren, zijnde meestendeels ydelheden, ja ook wel goddeloze overdenkingen, hij betuigend, dat de Alwijse en Almachtige God, alles stiert en regeert na zijn wille en wel behagen, en dat de zaken in de wereld geensins bij gevalle toe en gaan, Zoals vele Mensen haar zelf inbeelden. Ten slotte vermaand Salomo alle Mensen, dat zij God sullen vreesen en oprechtelijk dienen, en alle goede werken oeffenen, met eere en vroomigheid haar verheugende in ’t gene dat zij van de milde hant Gods ontvangen hebben, In het bijzonder terwijl zij noch jonk, sterk, en bij verstande zijn, het gestrenge oordeel Gods altijt voor oogen hebbende.
1De woorden van de prediker, de zoon van David, de1 koning te Jeruzalem.
22 Zinloosheid van de zinloosheden, zegt de prediker; zinloosheid van dea zinloosheden, het is3 al zinloosheid.
34 Wat5b voordeel heeft de mens van al zijn6 arbeid, die hij arbeidt7 onder de zon?
48 Het ene geslacht gaat, en het andere geslacht komt;c maar de aarde9 staat in de eeuwigheid.
510 Ook rijst de zon op, en de zon gaat onder, en11 zij hijgt naar haar plaats, waar zij oprees.
612 Zij gaat naar het zuiden, en zij gaat om13 naar het noorden; de wind gaat14 steeds omgaande, en15 de wind keert weer tot zijn omgangen.
7d Al de16 beken gaan in de zee, toch wordt de zee17 niet vol; naar de plaats,18 waar de beken heengaan, daarheen19 gaande keren zij weer.
8Al deze dingen20 worden zo moe, dat het niemand21 zou kunnen uitspreken; het oog wordt niet verzadigd met zien; en het oor wordt niet vervuld van horen.
9e Wat er geweest is, hetzelfde zal er zijn, en wat er gedaan is, hetzelfde zal er gedaan worden; zodat er22 niets nieuws is onder de zon.
10Is er enig ding, waarvan men zou kunnen zeggen: Ziet dat, het is nieuw?23 Het is alreeds geweest in de eeuwen, die voor ons geweest zijn.
1124 Er is geen herinnering van de voorgaande dingen; en van de navolgende dingen, die zijn zullen, daarvan zal ook geen herinnering zijn bij degenen, die later wezen zullen.
1225 Ik, prediker, was koning over Israël te Jeruzalem.
13En ik begaf mijn hart om met wijsheid te onderzoeken, en na te speuren26 al wat er gebeurt onder de hemel. Deze27 moeilijke bezigheid heeft God de kinderen van de mensen gegeven,28 om zich daarmee bezig te houden.
14Ik zag al de werken aan, die onder de zon gebeuren; en ziet, het was al zinloosheid en29 kwelling van de geest.
15Het kromme30 kan niet recht gemaakt worden; en31 wat ontbreekt, kan niet geteld worden.
16Ik sprak met mijn hart, zeggende: Zie, ik heb wijsheid vergroot en vermeerderd, boven allen, die voor mij te Jeruzalem geweest zijn; en mijn hart heeft veel wijsheid en wetenschap gezien.
17En34 ik begaf mijn hart om wijsheid en wetenschap te weten, onzinnigheden en dwaasheid; ik ben gewaar geworden, dat ook dit35 een kwelling van de geest is.
18Want in veel wijsheid36 is veel37 verdriet; en38 die wetenschap39 vermeerdert, vermeerdert40 smart.