Nehemia 1

Boekinleiding lees meer ▾ NEHEMIA (zijnde de Schenker van de Persischen Conincx Arthahsasta, van de tweeden, die met die naam in Gods woord vermeldt wordt) verstaan hebbende de ellendigen toestant zijn volks, mits-gaders van d...
NEHEMIA (zijnde de Schenker van de Persischen Conincx Arthahsasta, van de tweeden, die met die naam in Gods woord vermeldt wordt) verstaan hebbende de ellendigen toestant zijn volks, mits-gaders van de stad, mueren en poorten van Jeruzalem, vernedert zich daarover met vasten en bidden voor de JAHWEH. Verzoekt daarop bij goede gelegentheid, en verkrijgt van de Koning, dat hij hem als zijn Stadthouder of Gouverneur send na Jeruzalem, met last en Commissie om aldaar een sekeren tijt te resideren, en alles weer op te bouwen, en in goede ordre te brengen. Het welke Nehemia, met een bysonderen ijver van Gods eere gedreven zijnde, zeer getrouwelijk, wijslijk, Godtvruchtichlijk en bestandichlijk uitvoert, overwinnende vele zwarigheden en beletselen, die hem in dit heilig werk van de Satan zijn voorgeworpen, zo door de omliggende vijanden van buiten, als door de valse broers en huichelaars van binnen, die met de vijand correspondeerden. Verlost ook de Gemeente van de zwaren overlast van de Rijken; en de publijken godsdienst met sonderling religieusheid, vasten en bidden, verricht, en ook een sterk verbond met God van nieuws opgericht zijnde, versorcht hij de stad Jeruzalem met genoechsaam getal van inwoonders, verdelende de reste van ’t volk in haar woonplaatsen. En na dat hij zijn Gouvernement twaalf jaren loflijk bedient had, vertrekt hij weer tot de Koning Arthahsasta, in het drie en dertichste jaar zijn Coninkrijks, en wordt na enige tijt weer van de Koning geschikt na Jeruzalem, alwaar hij verscheiden misbruiken, die in zijn afwesen waren ingekropen, met grote kloekmoedigheid afschaft, en alles reformeert. Dit boek heeft de naam van Nehemia, omdat daarin begrepen is, wat onder zijn Gouvernement in ’t Joodse Land geschied is, en omdat het van hem zelf, door ingeven van Gods Geest, beschreven is, als in verscheiden plaatsen deze boeks klaarlijk is te zien.
1De1 geschiedenissen van Nehemia, zoon van Hachalja. En het gebeurde in de maand2 Chisleu, in het3 twintigste jaar, als ik te4 Susan in het paleis was; 2Zo kwam Hanani, één van mijn5 broers, hij en sommige mannen uit Juda, en ik vroeg hen naar de Joden,6 die ontkomen waren (die overgebleven waren van de gevangenis), en naar Jeruzalem. 3En zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die van de gevangenis daar in het7 landschap zijn overgebleven, zijn in grote8 ellende en in versmaadheid; en Jeruzalems muur is verscheurd, en haar poorten zijn met vuur verbrand. 4En het gebeurde, als ik deze woorden hoorde, zo zat ik neer, en huilde, en bedreef rouw, enige dagen; en ik was vastende en biddende voor het aangezicht van de God van de hemel. 5En ik zei: Och, JAHWEH, God van de hemel, U, grote en vreselijke God! Die het verbond en de goedertierenheid houdt die, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden. 6Laat toch Uw9 oor opmerkende, en Uw10 ogen open zijn, om te horen naar het gebed van Uw knecht, dat ik11 heden voor Uw aangezicht bid, dag en nacht, voor de kinderen van Israël, Uw knechten; en ik doe belijdenis over de zonden van de kinderen van Israël, die wij tegen U gezondigd hebben; ook ik en het huis van mijn vader, wij hebben gezondigd. 7Wij hebben12 het geheel tegen U verdorven; en wij hebben niet gehouden de13 geboden, noch de voorschriften, noch de rechten, die U Uw knecht Mozes geboden hebt. 8Gedenk toch van het woord, dat U Uw knecht Mozes geboden hebt, zeggende: U zult overtreden, Ik zal u onder de volken verstrooien. 9En u zult zich tot Mij bekeren, en Mijn geboden houden, en die doen; al waren uw verdrevenen aan het einde van de hemel, Ik zal hen vandaar verzamelen, en zal ze brengen tot de plaats, die Ik gekozen heb, om Mijn Naam daar te doen wonen. 10Zij zijn toch Uw knechten en Uw volk, dat U verlost hebt door Uw grote kracht en door Uw sterke hand. 11Och, JAHWEH, laat toch Uw oor opmerkende zijn op het gebed van Uw knecht, en op het gebed van Uw knechten, die lust hebben Uw Naam te vrezen; en doe het toch Uw knecht heden wel gelukken, en15 geef hem barmhartigheid voor het aangezicht van deze16 man. Ik nu was de schenker van de koning.