Micha 1

Boekinleiding lees meer ▾ DE Profeet Micha, (of Micheas) heeft mede ten zelf tijde, en in substantie al het zelf, somtijts ook met de zelf woorden, geprofeetert, als de Profeet Iesaia, Zoals uit de eerste versen van beider Boe...
DE Profeet Micha, (of Micheas) heeft mede ten zelf tijde, en in substantie al het zelf, somtijts ook met de zelf woorden, geprofeetert, als de Profeet Iesaia, Zoals uit de eerste versen van beider Boeken, en de Inhoud harer profetieën is te zien, want Micha eensdeels zeer heftichlijk bestraft, de grove en menichvuldige zonden van Iuda en Israël, als te zien is in de Inhoud van de hoofdstukken, dreigende haar beiden Gods zware straffen, specialijk de verwoesting door de Aszijriers en Babyloniers. Anderdeels troost hij de geloovige met belofte van de verlossing uit de Babylonische gevangenis, maar principalijk met zeer klare en heerlijke Profetieën van de geestlijke verlossing door haar Koning CHRISTUS, van wiens komste, geboort-plaats Bethlehem, overvloedige zegeningen en weldaden aan zijn Kerk (die door de Prediking van de Evangelie en krachtige werking van de H. Geest, uit Joden en heidenen zou worden vergaderd) hij wijtloopich profeetert, versekerende de gewis behoudenis en eeuwige zaligheid van de Kerk, en aller harer vijanden eindelijk en eeuwig verderf.
1Het woord van JAHWEH, dat geschied is tot1 Micha, de2 Morastiet, in de dagen van3 Jotham, Achaz en Jehizkia, koningen van Juda; dat hij4 gezien heeft over5 Samaria en Jeruzalem. 2Hoor,6a u volken allemaal! merk op, u7 aarde, en ook van die8 volheid! de Adonai JAHWEH nu9 zal tot een getuige zijn10 tegen11 u, de Heere uit de12 tempel van Zijn heiligheid. 3Want zie,b JAHWEH13 gaat uit van Zijnc plaats, en Hij zal neerdalen en14 treden op ded hoogten van de aarde. 4En de bergen zullene onder Hem15 versmelten, en de dalen gekloofd worden, gelijk was voor het16 vuur, gelijk17 wateren, die uitgestort worden in de18 laagte. 519 Dit alles, om de overtreding van Jakob, en om de zonden van het huis van Israël;20 wie is het begin van22 de overtreding van Jakob? Is het niet Samaria? En wie van de hoogten van Juda? Is het niet Jeruzalem? 6Daarom zal Ik Samaria stellen tot een23 steenhoop van het veld, tot plantingen van een wijngaard; en Ik zal haar24 stenen in25 de vallei storten, en haar fundamenten26 ontdekken. 7En al haar gesneden beelden zullen vermorzeld worden, en al haar27 hoerenbeloningen zullen met vuur verbrand worden, en al haar28 afgoden zal Ik stellen tot een woestheid; want zij heeft ze van hoerenloon verzameld, en zij zullen29 tot hoerenloon terugkeren. 830 Hierom zal ik luid weeklagen bedrijven en huilen; ik zal31 beroofd en naakt gaan; ik zal luid weeklagen maken als de32f draken, en treuren als de jonge struisen. 9Want haar plagen33 zijn dodelijk; want zij zijn gekomen tot aan34 Juda;35 hij is geraakt tot aan de poort36 van mijn volk, tot aan Jeruzalem. 10g Verkondigt het niet te37 Gath, weent38 zo jammerlijk niet;39h wentelt u in het stof40 in het huis van Afra. 1141 Ga door, u inwoneres van Safir! met42i blote schaamte; de inwoneres van Zaanan gaat niet43 uit; klaagzang is te Beth-haezel; hij44 zal zijn stand van u nemen. 12Want de inwoneres van Maroth is ziek vanwege45 de goeds; want een46k kwaad is van JAHWEH afgedaald, tot aan de poort van Jeruzalem. 1347 Span de snelle dieren aan de wagen, u inwoners van48 Lachis! (deze is van de dochter van Sion het49 begin van de zonde) want in u zijn50 Israëls overtredingen gevonden. 14Daarom51 geef geschenken52 aan53 Morescheth-gaths; de huizen van54 Achzib zullen de koningen van Israël tot een55 leugen zijn. 15Ik zal u nog een56 erfgenaam toebrengen, u inwoneres van57 Maresa!58 Hij zal komen tot aan Adullam,59 tot aan de60 heerlijkheid Israëls. 16Maak61 u62 kaal en scheer u, om uw63 troetelkinderen;64 verwijd uw kaalheid, als de adelaar, omdat zij65 als gevangene van u zijn weggevoerd.