Mattheus 20
11 Want het Koninkrijk van de hemelen is gelijk aan2 een heer van het huis, die met de morgenstond uitging, om arbeiders te huren in zijn wijngaard.
2En als hij met de arbeiders eens geworden was, voor een3 penning overdag, zond hij hen heen in zijn wijngaard.
3En uitgegaan zijnde ongeveer het4 derde uur, zag hij anderen, werkloos staande op de markt.
4En hij zei daartoe: Gaat ook u heen in de wijngaard, en zo wat recht is, zal ik u geven. En zij gingen.
5Opnieuw uitgegaan zijnde ongeveer het zesde en het negende uur, deed hij evenzo.
6En uitgegaan zijnde ongeveer het elfde uur, vond hij anderen werkloos staande, en zei tot hen: Wat staat u hier de hele dag werkloos?
7Zij zeiden tot hem: Omdat ons niemand gehuurd heeft. Hij zei tot hen: Gaat ook u heen in de wijngaard, en zo wat recht is, zult u ontvangen.
8Als het nu avond geworden was, zei de heer van de wijngaards, tot zijn5 rentmeester: Roep de arbeiders, en geef hun het loon, beginnende van de laatsten tot de eersten.
9En als zij kwamen, die op het elfde uur gehuurd waren, ontvingen zij ieder een penning.6
10En de eerste komende, meenden, dat zij meer ontvangen zouden; en zij zelf ontvingen ook elk een penning.
11En die ontvangen hebbende,7 morden zij tegen de heer van het huis,
12Zeggende: Deze laatsten hebben maar één uur gewerkt, en u8 hebt ze ons gelijk gemaakt, die de last overdag en de hitte gedragen hebben.
13Maar hij, antwoordende, zei tot één van hen:9 Vriend! ik doe u geen onrecht; bent u niet met mij eens geworden voor een penning?
14Neem het uwe en ga heen. Ik wil deze laatsten ook geven, gelijk als u.
15a Of is het mij niet geoorloofd, te doen met het mijne, wat ik wil? Of is uw oog10 boos, omdat ik goed ben?
16b Zo zullen de laatsten de11 eersten zijn, en de eersten de12 laatsten;c want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.
17d En Jezus, opgaande naar Jeruzalem, nam tot Zich de twaalf discipelen alleen op de weg, en zei tot hen:
18Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal de overpriesteren en Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen;
19e En zij zullen Hem de heidenen overleveren, om Hem te bespotten en te geselen, en te kruisigen; en op de derde dag zal Hij weer opstaan.
20f Toen kwam de13 moeder van de zonen van Zebedeüs tot Hem met haar14 zonen, Hem aanbiddende, en begerende wat van Hem.
21En Hij zei tot haar: Wat wilt u? Zij zei tot Hem: Zeg, dat deze mijn twee zonen15 zitten mogen, de één tot Uw rechter- en de ander tot Uw linkerhand in Uw Koninkrijk.
22Maar Jezus antwoordde en zei:g U16 weet niet wat u begeert; kunt u de17 drinkbeker drinken, die Ik drinken zal, en met de doop gedoopt worden,h waarmee Ik gedoopt word? Zij zeiden tot Hem: Wij kunnen.
23En Hij zei tot hen: Mijn drinkbeker zult u wel drinken, en met de doop, waarmee Ik gedoopt word, zult u gedoopt worden; maar het zitten tot Mijn rechter-, en tot Mijn linkerhand, staat bij Mij niet te geven, maar het zal gegeven worden die het bereid is van Mijn Vader.
24En als de20 andere tien dat hoorden, namen zij het zeer kwalijk van de twee broers.
25En als Jezus hen tot Zich geroepen had, zei Hij:k U weet, dat de oversten van de volken heerschappij voeren over hen, en de grote gebruiken macht over hen.
26l Maar zo zal het onder u niet zijn; maar zo wie onder u zal willen groot worden, die zij uw dienaar;
27m En zo wie onder u zal willen de eerste zijn, die zij uw dienaar.
28n Zoals de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, eno Zijn ziel te geven tot een23 losprijs24 voor velen.
29p En als zij van Jericho uitgingen, is Hem een grote menigte gevolgd.
30En ziet, twee blinden, zittende aan de weg, als zij hoorden, dat Jezus voorbijging, riepen, zeggende: Heere, U Zoon van David! ontferm U over ons.
31En de menigte bestrafte hen, opdat zij zwijgen zouden; maar zij riepen te meer, zeggende: Ontferm U over ons, Heere, U Zoon van David!
32En Jezus, stil staande, riep hen en zei: Wat wilt u, dat Ik u doe?
33Zij zeiden tot Hem: Heere! dat onze ogen geopend worden.
34En Jezus, innerlijk bewogen zijnde met barmhartigheid, raakte hun ogen aan; en meteen werden hun ogen ziende, en zij volgden Hem.