Maleachi 1
Boekinleiding
lees meer ▾
Na de tijt te rekenen, zo is Malachias de laatste van de twaalf kleine Profeten, de naaste aan de toekomste JEZUS CHRISTUS; hij heeft geprofeetert doe de Tempel en de stad van Jeruzalem nu weer opgebo...
Na de tijt te rekenen, zo is Malachias de laatste van de twaalf kleine Profeten, de naaste aan de toekomste JEZUS CHRISTUS; hij heeft geprofeetert doe de Tempel en de stad van Jeruzalem nu weer opgebouwt waren. Zijn naam is Maleachi, 't welk betekent, mijn Engel, of mijn Bode, mijn Gesante. De somme zijn Profetie is deze: Hij verwijt voor eerst de boosen Joden haar grote ondankbaarheid tegen God, die haar zo vele en zo grote weldaden bewezen, en haar opnieuw in haar Land gebracht, en de waren godsdienst onder haar opgericht had: hij bestraft de Priesters, omdat zij de godsdienst hadden vervalscht: en het volk, van wegen haar menichvuldige zonden en overtredingen, als bij naamn van wegen het ontheiligen van de Huwelijk, trouwende met de afgodise, meer dan een vrouwe nemende, lichtveerdichlijk haar vrouwen verstootende, en van wegen haar Gods-lasteringen en hardnekkigheden, met Voorzegging van de straffen die haar van de-halven over het hoofd waren hangende, met vermaning tot boete en beterschap van de levens. hij voorzegd ook, tot troost van de godtsaligen, de toekomste CHRISTUS, en ook zijn voor-Loopers Iohannis van de Doopers: als ook, dat CHRISTUS de schaduwen en figueren van de Ouden Testaments zou afdoen, en dat hij de waren godsdienst, in de geest en waarheid bestaande, door de gehele wereld planten en oprichten zou. Zoals hij het volk Gods tot ware boete, en bestendigheid in de waren godsdienst vermaand, alzo dreigt hij ook doorgaans de goddeloze en huichelaars met de zware straffen die haar zouden over komen. In het Nieuwe Testament worden op verscheidene plaatsen, bygebracht enige spreuken genomen uit de Profeet Maleachi, als Mat. 11:10. en hfst. 11.14. en hfst. 17.10, 11, 12, 13. Marc. 1:2. en 9.12. Luc. 1:16, 17. en 7.27. Rom. 9:13.
11 De last van het woord van2 JAHWEH tot Israël,3 door de dienst van4 Maleachi.
2Ik heb u liefgehad, zegt JAHWEH; maar u zegt: Waarin hebt U ons liefgehad? Was niet Ezau Jakobs broer? spreekt JAHWEH; toch heb Ik Jakob liefgehad.
3En Ezau heb Ik gehaat;9 en Ik heb10 zijn bergen gesteld tot een verwoesting, en11 zijn erfenis voor de draken van de woestijn.
4Hoewel Edom zei: Wij zijn verarmd, maar wij zullen de woeste plaatsen weer bouwen; zo zegt JAHWEH van de legermachten: Zullen zij bouwen, zo zal Ik afbreken; en men zal hen noemen: Landpale van de goddeloosheid, en een volk, op dat JAHWEH vergramd is tot in eeuwigheid.
5En uw ogen17 zullen het zien, en u zult18 zeggen: JAHWEH zij groot gemaakt,19 van de landpalen van Israël af!
6Een zoon zal de vader eren, en een knecht zijn heer; ben Ik dan een Vader, waar is Mijn eer? En ben Ik één Heere, waar is Mijn vreze? zegt JAHWEH van de legermachten tot u, o priesters, verachters van Mijn Naam! Maar u zegt: Waarmee verachten wij Uw Naam?
7U brengt op Mijn altaar verontreinigd brood, en zegt: Waarmee verontreinigen wij U? Daarmee, dat u zegt: De tafel van JAHWEH is verachtelijk.
8Want als u33 wat blinds aanbrengt om te offeren,34 het is bij u niet kwaad; en als u wat kreupels of wat kranks aanbrengt, het is niet kwaad!353637 Brengt dat toch uw vorst;38 zal hij een welgevallen aan u hebben? of zal hij39 uw aangezicht opnemen? zegt JAHWEH van de legermachten.
940 Nu dan, smeekt toch het aangezicht van God, dat Hij ons genadig zij;41 dat is van uw hand geschied,42 zal Hij uw aangezicht opnemen? zegt JAHWEH van de legermachten?
10Wie is er43 ook onder u, die44 de deuren45 om46 niet toesluit? En u steekt het vuur niet aan op Mijn altaar om niet. Ik heb geen lust aan u, zegt JAHWEH van de legermachten,b en het spijsoffer is Mij47 van uw hand niet aangenaam.
11Maar48 van de opgang van de zon tot haar ondergang,49 zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenen; en aan alle plaats zal Mijn Naam50 reukwerk toegebracht worden, en een rein spijsoffer; want Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenen, zegt JAHWEH van de legermachten.
12Maar u ontheiligt die, als u zegt: De tafel van JAHWEH is ontreinigd, en haar inkomen, haar voedsel is verachtelijk.
13Nog zegt u: Zie, wat een vermoeidheid! maar u zou het kunnen wegblazen, zegt JAHWEH van de legermachten; u brengt ook wat geroofd is, en dat kreupel en ziek is; u brengt ook spijsoffer; zou Mij dat aangenaam zijn van uw hand? zegt JAHWEH.
14Ja, vervloekt zij de bedrieger,62 die een mannetje in zijn kudde heeft, en de Heere belooft, en offert,63 dat verdorven is! want Ik ben64 een groot Koning, zegt JAHWEH van de legermachten, en Mijn Naam is vreselijk65 onder de heidenen.