Lukas 12

11 Intussena als vele2 duizenden van de menigte bijeenvergaderd waren, zodat zij elkaar vertraden, begon Hij te zeggen tot Zijn discipelen: Allereerst3 wees op uw hoede voor het zuurdesem van de Farizeën, dat is de huichelarij. 2b En er is niets bedekt, dat niet zal ontdekt worden, en verborgen, dat niet zal geweten worden. 3Daarom, al wat u4 in de duisternis gezegd hebt, zal in het licht gehoord worden; en wat u in het oor gesproken hebt, in de binnenkamers, zal5 op de daken gepredikt worden. 4En Ik zeg u, Mijn vrienden:c Vreest u niet voor degenen, die het lichaam doden, en daarna6 niet meer kunnen doen. 5Maar Ik zal u tonen, Wie u vrezen zult: vreest Die, Die, nadat Hij gedood heeft, ook macht heeft in7 de hel te werpen; ja, Ik zeg u, vreest Die! 6d Worden niet vijf musjes verkocht voor twee8 penninkjes? En niet één van die is voor God vergeten. 7e Ja, ook de haren van uw hoofd zijn alle geteld. Vreest dan niet;9 u gaat vele musjes te boven. 8f En Ik zeg u: Een ieder die Mij belijden zal voor de mensen, die zal ook de Zoon des mensen belijden voor de engelen van God. 9g Maar wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal verloochend worden voor de engelen van God. 10En een ieder die10 enig woord spreken zal11 tegen de Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden;h maar wie12 tegen de Heilige Geest gelasterd zal hebben, die zal het niet vergeven worden. 11i En wanneer zij u heenbrengen zullen in de synagogen, en tot de overheden en de machten, zo13 wees niet bezorgd, hoe of wat u tot verantwoording zeggen, of wat u spreken zult; 12Want de Heilige Geest zal u op dat moment14 leren, wat u spreken moet. 13En één uit de menigte zei tot Hem: Meester, zeg mijn broer, dat hij met mij de erfenis dele. 14Maar Hij zei tot hem: Mens, wie heeft Mij tot een rechter of scheidsman over u gesteld? 15En Hij zei tot hen: Ziet toe en wees op uw hoede voor de gierigheid; want het is niet in de overvloed gelegen, dat iemand leeft uit zijn goederen. 16En Hij zei tot hen een gelijkenis, en sprak: Het land van een rijke man had wel gedragen; 17En hij overlegde bij zichzelf, zeggende: Wat zal ik doen, want ik heb niet, waarin ik mijn vruchten zal verzamelen. 18En hij zei: Dit zal ik doen; ik zal mijn schuren afbreken, en grotere bouwen, en zal daar verzamelen al dit mijn gewas, en deze mijn goederen; 19En ik zal tot mijn ziel zeggen:l Ziel! u hebt vele goederen,18 die opgelegd zijn voor vele jaren, neem rust, eet, drink, wees vrolijk. 20Maar God zei tot hem: U dwaas! in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen; en wat u bereid hebt, van wie zal het zijn? 21Zo is het met die, die zichzelf20 schatten verzamelt, en21 niet rijk is in God. 22En Hij zei tot Zijn discipelen: Daarom zeg Ik u: Wees niet bezorgd voor uw leven, wat u eten zult, noch voor het lichaam, waarmee u u kleden zult. 23Het leven is meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding. 24p Let op de raven, dat zij niet zaaien, noch maaien, die geen spijskamer noch schuur hebben, en God voedt dezelfde;24 hoeveel gaat u de vogels te boven? 25q Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn,25 een el tot zijn lengte toedoen? 26Als u dan ook het minste niet kunt, wat bent u voor de26 andere dingen bezorgd? 27Beschouw de leliën, hoe zij groeien; zij arbeiden niet, en spinnen niet; en Ik zeg u: ook Salomo in al zijn heerlijkheid is niet bekleed geweest als één van deze. 28Als nu God27 het gras dat heden op het veld is, en morgen in de oven geworpen wordt, zo bekleedt, hoeveel meer u, u kleingelovigen! 29En u,28 vraagt niet, wat u eten, of wat u drinken zult;29 en weest niet wankelmoedig. 30Want al deze dingen zoeken30 de volken van de wereld; maar uw Vader weet, dat u deze dingen behoeft. 31r Maar zoekt het Koninkrijk van God, en al deze dingen zullen u31 toegeworpen worden. 32Vreest niet, u klein kuddeken, want het is het welbehagen van de Vader, u het32 Koninkrijk te geven. 3333s Verkoopt wat u hebt, en geeft aalmoes.t Maakt uzelf beurzen, die niet verouden, een schat, die niet afneemt, in de hemelen, daar de dief niet bijkomt, noch de mot verderft. 34Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. 35v Laat34 uw lendenen omgord zijn, en de kaarsen brandende. 36En bent u de mensen gelijk, die op hun heer35 wachten, wanneer hij36 terugkomen zal van de bruiloft, opdat, als hij komt en klopt, zij hem meteen mogen opendoen. 37Zalig zijn die dienaren, die de heer, als hij komt, zal wakende vinden. Voorwaar, Ik zeg u, dat hij zich zal omgorden, en zal hen doen aanzitten, en bijkomende, zal hij hen dienen. 38x En zo hij komt in de tweede37 nachtwake, en komt in de derde wake, en vindt hen zo, zalig zijn dezelfde dienaren. 39y Maar weet dit, dat, als de heer van het huis geweten had, op welk uur de dief zou komen, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven. 40z U dan, wees ook bereid; want op welk uur u het niet meent, zal de Zoon des mensen38 komen. 41En Petrus zei tot Hem: Heere! zegt U deze gelijkenis tot ons, of ook tot allen? 42En de Heere zei: Wie is dan de getrouwe en voorzichtige huisbezorger, die de heer over zijn dienstboden zal zetten, om hun op de juiste tijd het bescheiden deel voedsel te geven? 43Zalig is de dienaar, die zijn heer, als hij komt, zal vinden, zo doende. 44Voorwaar, Ik zeg u, dat hij hem over al zijn goederen zetten zal. 45Maar als dezelfde dienaar in zijn hart zou zeggen: Mijn heer wacht te komen; en zou beginnen de knechten en de dienaressen te slaan, en te eten en te drinken, en dronken te worden; 46Zo zal de heer dezelfde dienaars komen op een dag waarop hij hem niet verwacht, en op een uur, die hij niet weet; en zal hem40 afscheiden, en zal zijn deel zetten met de41 ontrouwen. 47b En die dienaar, die geweten heeft de wil van zijn heer, en zich niet bereid, noch naar zijn wil gedaan heeft, die zal met vele slagen geslagen worden. 48Maar die dezelfde niet geweten heeft, en gedaan heeft dingen, die slagen waard zijn, die zal met weinige slagen geslagen worden. En een ieder wie veel gegeven is, van die zal veel geëist worden; en42 wie men veel toevertrouwd heeft, van die zal men overvloediger eisen. 49Ik ben gekomen, om43 vuur op de aarde te werpen; en44 wat wil Ik, als het al ontstoken is? 50c Maar Ik moet met een45 doop gedoopt worden; en hoe word Ik46 beklemd, totdat het volbracht is! 51d Denkt u, dat Ik gekomen ben, om vrede te geven op de aarde? Nee, zeg Ik u,e maar eerder verdeeldheid. 52Want van nu aan zullen er vijf in een huis verdeeld zijn, drie tegen twee, en twee tegen drie. 53De vader zal tegen de zoon verdeeld zijn, en de zoon tegen de vader; de moeder tegen de dochter; en de dochter tegen de moeder; de schoonmoeder tegen haar schoondochter, en de schoondochter tegen haar schoonmoeder. 54En Hij zei ook tot de menigten: Wanneer u een wolk ziet opgaan van het westen, meteen zegt u: Er komt regen; en het gebeurt zo. 55En wanneer u de zuidenwind ziet waaien, zo zegt u: Er zal hitte zijn; en het geschiedt. 56U huichelaars,47 het aangezicht van de aarde en van de hemel weet u te48 duiden; en hoe duidt u49 deze tijd niet? 57En waarom oordeelt u ook50 van uzelf niet, wat recht is? 58g Want als u heengaat met uw tegenpartij voor de overheid, zo doet moeite op de weg, om van hem51 verlost te worden; opdat hij misschien u niet voor de rechter sleept, en de rechter u de52 gerechtsdienaar overlevert, en de gerechtsdienaar u in de gevangenis werpe. 59Ik zeg u: U zult van daar in geen geval uitgaan, voordat u ook het laatste53 penninkje betaald zult hebben.