Leviticus 1
Boekinleiding
lees meer ▾
DE naam deze boeks is genomen van de voornaamste materie, die daarin verhandeld wordt, die is van de Levitise Ceremonien, met haar toebehoren: wier bediening, en waarneming de Priesters, en Leviten (d...
DE naam deze boeks is genomen van de voornaamste materie, die daarin verhandeld wordt, die is van de Levitise Ceremonien, met haar toebehoren: wier bediening, en waarneming de Priesters, en Leviten (die Beide uit de Stam Levi gesproten waren) tot onderhouding van de Heiligen Gods-dienst door van de Heeren ordinantie bevolen was. Want hier worden meest Ceremoniale wetten gesteld, niet alleen van verscheidene zorten van de offerhanden, van reine en onreine, zo personen, als gedierten, van hoogtijden, en vierdagen; maar ook van de Priesters ten aansiene zo van haar personen, als van haar ambt. Hier bij komen Morale wetten, leerende watmen na de wet van de Tien geboden doen, of laten moet. Boven deze zijnder Burgerlijke wetten, en ordinantien van straffen tegen enige grouwelijke zonden, door de Overheid uit te voeren. Onder de wetten worden Historien in-gevoegt van de Inwijding van de Priesters in haar ambt, van de Zalving van de Tabernakels, en zijn Gereetschap, van de dadelijke bediening van de Priesterlijken ambts, en de bevesting van de zelf door een Goddelijk teken, en straffen van de twee Priesters Nadabs en Abihu, die zich in haar ambt vergrijpen: en van de straf eens Gods-lasteraars. Ook vin den wij hier Beloften aan de genen die Gods wetten zouden onderhouden, en schrikkelijke dreigingen tegen de gene, diese zouden overtreden. Deze dingen alle zijn geschied in een maant, te weten, van het begin van de tweeden jaars, na dat de Israëlieten uit Egypte gekomen waren, tot het begin van de tweeder maant van de zelf jaars.
1En JAHWEH riep Mozes, en sprak tot hem uit1 de tent van de samenkomst, zeggende:
2Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Als een mens uit u JAHWEH een offergave zal2 offeren, u zult uw offergaven offeren van het vee, van runderen en3 van schapen.
3Als zijn offergave een4 brandoffer van runderen is, zo zal hij een5 volkomen mannetje offeren;6a aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren,7 naar zijn welgevallen,8 voor het aangezicht van JAHWEH.
4En hij zal9 zijn hand op het hoofd van het brandoffer leggen, opdat10 het voor hem aangenaam zij, om11 hem te verzoenen.
5Daarna zal12 hij het jonge rund13 slachten voor het aangezicht van JAHWEH; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen het bloed offeren, en het bloed sprengen rondom dat altaar, dat voor de deur van de tent van de samenkomst is.
6Dan zal14 hij het brandoffer de huid aftrekken, en het in zijn stukken delen.
7En de zonen van Aäron, de priester,15 zullen vuur maken op het altaar, en zullen het hout op het vuur schikken.
8Ook zullen de zonen van Aäron, de priesters, de stukken, het hoofd en16 het smeer, schikken op het hout, dat op het vuur is, dat op het altaar is.
9Maar zijn17 binnenste, en zijn schenkelen zal men met water wassen; en de priester zal dat alles aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een18 vuuroffer,19 tot een liefelijke reuk JAHWEH.
10En als zijn offergave is van klein vee, van schapen of van geiten, ten brandoffer, zal hij een volkomen mannetje offeren.
11En20 hij zal dat slachten aan de zijde van het altaar21 naar het noorden,22 voor het aangezicht van JAHWEH; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen zijn bloed rondom op het altaar sprengen.
12Daarna zal hij het in zijn stukken delen, en ook zijn hoofd en zijn smeer; en de priester zal die schikken op het hout, dat op het vuur is, dat op het altaar is.
13Maar het binnenste en de schenkelen zal men met water wassen; en de priester zal dat alles offeren en aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijke reuk JAHWEH.
14En als zijn offergave voor JAHWEH een brandoffer van gevogelte is, zo zal hij zijn offergave van tortelduiven, of van23 jonge duiven, offeren.
15En de priester zal24 die tot het altaar brengen, en zijn hoofd25 met zijn nagel splijten, en op het altaar aansteken; en zijn bloed zal aan de wand van het altaar uitgeduwd worden.
16En zijn krop met zijn26 vederen zal hij wegdoen, en zal het werpen bij het altaar, naar het oosten, aan de plaats2728 van de as.
17Verder zal hij29 die30 met zijn vleugelen klieven,31 niet afscheiden; en de priester zal die aansteken op het altaar, op het hout, dat op het vuur is; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijke reuk JAHWEH.