Klaagliederen 3
11 Aleph.2 Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede3 van Zijn toorn.
2Aleph. Hij heeft mij geleid en gevoerd4 in de duisternis, en niet in het licht.
3Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn5 hand de hele dag6 veranderd.
4Beth.7 Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn8 beenderen gebroken.
5Beth. Hij9 heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft10 mij met galle en moeite omringd.
6Beth.11 Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen,12 als degenen, die over lang dood zijn.
7Gimel. Hij heeft13 mij toegemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft14 mijn koperen boeien verzwaard.
8Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw,15 sluit Hij de oren voor mijn gebed.
9Gimel.16 Hij heeft mijn wegen toegemuurd met17 uitgehouwen stenen,18 Hij heeft mijn paden verkeerd.
10Daleth.19 Hij is mij een loerende beer,20 een leeuw in verborgen plaatsen.
11Daleth.21 Hij heeft mijn wegen afgewend;22 en Hij heeft mij23 in stukken gebroken;24 Hij heeft mij woest gemaakt.
12Daleth.25 Hij heeft Zijn boog26 gespannen, en27 Hij heeft mij de pijl als ten doel gesteld.
13He. Hij heeft28 Zijn pijlen29 in mijn nieren doen ingaan.
14He. Ik ben30 al mijn volk31 tot belaching geworden, hun32 snarenspel de hele dag.
15He. Hij heeft mij33 met bitterheden verzadigd,34 Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt.
16Vau.35 Hij heeft mijn tanden met zandsteentjes verbrijzeld,36 Hij heeft mij in de as neergedrukt.
17Vau. En U hebt37 mijn ziel verre van de vrede verstoten,38 ik heb het goede vergeten.
18Vau. Toen zei ik: Mijn sterkte is vergaan, en mijn hoop van JAHWEH.
19Zain.41 Gedenk aan mijn ellende en aan mijn42 ballingschap,43 aan de alsem en galle.
20Zain. Mijn ziel44 gedenkt er wel terdege aan, en45 zij bukt zich neer in mij.
21Zain.46 Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen;
22Cheth.47 Het zijna de goedertierenheden van JAHWEH, dat wij niet vernield zijn,48 dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben;
23Cheth.49 Zijb zijn elke morgen nieuw,50 Uw trouw is groot.
24Cheth.51 JAHWEH is mijn Deel,52 zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen.
25Teth. JAHWEH is goed van hen,53 die Hem verwachten,54 van de ziele, die Hem zoekt.
26Teth.55 Het is goed, dat men hope, en stille zij56 op het heil van JAHWEH.
27Teth. Het is goed57 voor een man,58 dat hij het juk59 in zijn jeugd draagt.
28Jod.60 Hij61 zitte eenzaam, en zwijge stil, omdat62 Hij het hem opgelegd heeft.
29Jod. Hij steke zijn mond in het stof, zeggende: Misschien is er verwachting.
30Jod.65 Hij geve zijn wang die, die hem slaat,66 hij worde zat van smaad.
31Caph.67 Want de Heere zal niet verstoten in eeuwigheid.
32Caph. Maar als Hij bedroefd heeft, zo zal Hij Zich ontfermen,68 naar de grootheid van Zijn goedertierenheden.
33Caph. Want Hij plaagt of bedroeft69 de mensenkinderen70 niet van harte.
34Lamed.71 Dat men al de gevangenen van de aarde onder Zijn voeten72 verbrijzelt;
35Lamed. Dat men het recht van een man73 buigt voor het aangezicht van de Allerhoogste;
36Lamed. Dat men een mens74 verongelijkt in zijn75 rechtszaak;76 zou77 het de Heere niet zien?
37Mem.78e Wie zegt wat, dat gebeurt, zo het de Heere niet beveelt?
38Mem.79f Gaat niet uit80 de mond van de81 Allerhoogste het kwade en het goede?
39Mem.82 Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn83 zonden.
40Nun. Laat ons onze84 wegen onderzoeken en doorzoeken, en85 laat ons terugkeren tot JAHWEH.
41Nun. Laat ons onze harten opheffen,86 en ook de handen,87 tot God in de hemel, zeggende:
42Nun. Wij hebben overtreden, en wij zijn opstandig geweest, daarom hebt U niet gespaard.
43Samech.89 U hebt ons90 met toorn bedekt, en U hebt ons91 vervolgd; U hebt ons gedood. U hebt niet verschoond.
44Samech. U hebt U92 met een wolk bedekt, zodat er geen gebed doorkwam.
45Samech. U hebt ons94 tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld, in het midden van95 de volken.
46Pe. Al onze vijanden96 hebben hun mond tegen ons opgesperd.
47Pe.97 De vreze en de kuil zijn over ons gekomen, de verwoesting en de verbreking.98
48Pe.10099 Met waterbeken loopt mijn oog neer, vanwege de breuk van de dochter101 van mijn volk.
49Ain. Mijn oog102 vliet, en kan niet ophouden, omdat er103 geen rust is;
50Ain.104 Totdat105 JAHWEH van de hemel aanschouwe, en106 het zie.
51Ain.107 Mijn oog108 doet mijn ziele moeite109 aan, vanwege al de dochters van mijn stad.
52Tsade. Die mijn vijanden zijn110 zonder oorzaak, hebben mij111 als een vogeltje112 dapperlijk gejaagd.
53Tsade.113 Zij hebben114 mijn leven in een kuil uitgeroeid, en zij hebben115 een steen116 op mij geworpen.
54Tsade. De wateren zwommen over mijn hoofd; ik zei: Ik ben afgesneden!
55Koph. JAHWEH! Ik heb Uw Naam aangeroepen120 uit de onderste kuil.
56Koph.121 U hebt mijn stem122 gehoord, verberg Uw oor niet123 voor mijn zuchten, voor mijn roepen.
57Koph. U124 hebt U genaderd op de dag als ik U aanriep; U hebt gezegd: Vrees niet!
58Resch. JAHWEH!125 U hebt de twistzaken van mijn ziel getwist, U hebt mijn leven verlost.
59Resch. JAHWEH! U hebt gezien127 de verkeerdheid, die men mij aangedaan heeft,128 oordeel mijn rechtzaak.
60Resch. U hebt al129 hun130 wraak gezien, al hun gedachten tegen mij.
61Schin. JAHWEH! U hebt131 hun smaden gehoord, en al hun gedachten tegen mij;
62Schin.132 De lippen van degenen, die tegen mij opstaan, en133 hun dichten tegen mij de hele dag.134
63Schin. Aanschouw135 hun zitten en opstaan; ik ben136 hun snarenspel.
64Thau. JAHWEH! geef137 hun weer die vergelding, naar het werk van hun handen.
65Thau. Geef hun139 een deksel van het hart; Uw vloek zij over hen!
66Thau. Vervolg ze met toorn, en vernietig140 ze van onder de hemel van JAHWEH.