Klaagliederen 1

Boekinleiding lees meer ▾ DIT Boek heeft de titel van Klaag-liederen, die schijnt genomen te zijn uit 2.Chron. 35:25 en geeft genoechsaam te kennen, wat de inhout deze Boeks zij, naamlijk treurige weeklachten, die de Profeet i...
DIT Boek heeft de titel van Klaag-liederen, die schijnt genomen te zijn uit 2.Chron. 35:25 en geeft genoechsaam te kennen, wat de inhout deze Boeks zij, naamlijk treurige weeklachten, die de Profeet in zijn, en van de gantscher Gemeenten naam doet over de jammerlijke verstooring van de Koninkrijks van Iuda, en van de stad Jeruzalem, en ook over van de Joden zeer erbarmlijken stant, die meesten-deels omgekomen waren door het zwaard, honger, en pestilentie.
11 Aleph.2 Hoe zit3 die stad4 zo eenzaam, die5 vol volks was, zij is6 als een weduwe geworden, zij, die groot was onder de heidenen,7 een vorstin onder de landschappen, is8 schatplichtig geworden. 2Beth.9a Zij10 weent11 steeds12 in de nacht, en haar tranen lopen over haar kinnebakken; zij heeft geen trooster13 onder al haar liefhebbers; al haar14 vrienden hebben trouweloos15 met haar gehandeld,16 zij zijn haar tot vijanden geworden. 3Gimel.17 Juda18 is in gevangenis gegaan vanwege de ellende, en vanwege de veelheid van de dienstbaarheid;19 zij2021 woont onder de heidenen, zij vindt geen rust; al haar vervolgers22 achterhalen23 ze tussen de engten. 4Daleth.24 De wegen Sions25 treuren, omdat niemand26 op het feest komt; al27 haar28 poorten zijn woest, haar priesters29 zuchten: haar jonkvrouwen zijn bedroefd, en30 zij zelf is in bitterheid. 5He. Haar tegenstanders zijn31 ten hoofd geworden, haar vijanden32 zijn gerust;33 omdat haar JAHWEH bedroefd heeft, vanwege de veelheid van haar overtredingen; haar kinderen gaan heen34 in de gevangenis3536 voor het aangezicht van de tegenstanders. 6Vau. En37 van de dochter van Sion is38 al haar sieraad weggegaan; haar vorsten39 zijn als de herten,40 die geen weide vinden, en41 zij gaan krachteloos heen voor het aangezicht van de vervolgers. 7Zain. Jeruzalem is,42 in de dagen van haar ellende en van haar43 veelvuldige ballingschap, indachtig44 aan al haar gewenste dingen, die zij45 van oude dagen af gehad heeft; omdat haar volk door de hand van de tegenstanders valt, en zij geen helper heeft; de tegenstanders46 zien haar aan, zij spotten47 met haar rustdagen. 8Cheth. Jeruzalem48 heeft zwaar gezondigd, daarom is zij49 als een afgezonderde vrouw geworden;50 allen, die haar eerden, achten haar onwaard, omdat51b zij haar naaktheid gezien hebben;52 zij zucht ook, en53 zij is achteruit gekeerd. 9Teth.54 Haar onreinheid55 is in haar zomen, zij heeft niet gedacht56 aan haarc uiterste, daarom is zij57 wonderbaarlijk omlaag58 gedaald; zij heeft geen trooster.59 JAHWEH,60 zie mijn ellende aan, want de vijand61 maakt zich groot. 10Jod.62 De tegenstander heeft zijn hand aan al63 haar gewenste dingen uitgebreid; immers heeft64 zij aangezien, dat65 de heidenen66 in haar heiligdom gingen,67 waarvan U geboden had,68 dat zij in Uw gemeente niet komen zouden. 11Caph.69 Al haar volk zucht,70d brood zoekende, zij hebben hun gewenste dingen voor voedsel gegeven,71 om de ziel te opfrissen.72 Zie, JAHWEH, en aanschouw, dat73 ik74 onwaard geworden ben. 12Lamed.75 Gaat het u niet aan, u allen, die over weg gaat? Aanschouw het en ziet,76 of er een smart zij gelijk mijn smart, die mij aangedaan is, waarmee JAHWEH mij bedroefd heeft op de dag van de hitte van Zijn toorn. 13Mem.77 Van de hoogte heeft78 Hij79 een vuur80 in mijn beenderen gezonden,81 waarover Hij geheerst heeft;82 Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid,83 Hij heeft mij achteruit doen keren, Hij heeft mij woest en ziek84 gemaakt de hele dag. 14Nun.85 Het juk van mijn overtredingen is aangebonden door Zijn86 hand, zij zijn samengevlochten, zij zijn op mijn hals87 geklommen; Hij heeft mijn kracht doen88 vervallen; JAHWEH heeft mij89 in hun handen gegeven,90 ik kan niet opstaan. 15Samech. De Heere heeft al mijn sterken92 in het midden van mij vertreden;93 Hij heeft een bijeenkomst94 over mij uitgeroepen, om mijn95 jongemannen te verbreken;96 de Heere heeft de wijnpers van de jonkvrouw, van de dochter van Juda, aangetreden. 16Ain. Om van deze dingen wille ween ik;e mijn oog, mijn oog98 vliet af van water, omdat99 de trooster, die mijn ziel zou100 opfrissen, verre van mij is;101 mijn kinderen102 zijn verwoest,103 omdat de vijand de overhand heeft. 17Pe. Sion breidt haar handen uit, daar is geen trooster voor haar;105 JAHWEH heeft van Jakob106 geboden, dat die rondom hem zijn, zijn tegenstanders107 zouden zijn; Jeruzalem is als een afgezonderde vrouw onder hen. 18Tsade. JAHWEH is rechtvaardig, want ik ben109 Zijn mond opstandig geweest;110 hoort toch, alle volken, en ziet mijn smart;111 mijn jonkvrouwen en mijn jongemannen zijn in de gevangenis gegaan. 19Koph. Ik riep tot mijn liefhebbers,113f maar zij hebben mij bedrogen;114 mijn priesters en mijn oudsten hebben in de stad de geest gegeven, als zij voedsel voor zich zochten, opdat zij115 hun ziel mochten opfrissen. 20Resch. Aanzie, JAHWEH, want mij is bange;g mijn binnenste is117 beroerd, mijn hart118 heeft zich omgekeerd in het binnenste van mij, want119 ik ben zeer opstandig geweest; van buiten heeft120 mij het zwaard van kinderen beroofd,121 van binnen is als de dood. 21Schin. Zij horen, dat ik zucht, maar ik heb geen trooster; al mijn vijanden horen mijn kwaad; en zij zijn vrolijk,123 dat U het gedaan hebt; als124 U de dag zult voortgebracht hebben,125 die U uitgeroepen hebt,126 zo zullen zij zijn, gelijk ik ben. 22Thau. Laat al hun kwaad voor Uw aangezicht komen, en doe hun, zoals U mij128 gedaan hebt vanwege al mijn overtredingen; want mijn zuchtingen zijn vele, en mijn hart is129 mat.