Jona 1

Boekinleiding lees meer ▾ DIT Boek begrijpt een wonderlijke Historie van de Profeet Iona, die van God beroepen zijnde tot het Prophetisch ambt onder de 10 stammen, of Israël, (als afgenomen wordt uit 2.Reg. 14:25.) hier extra-...
DIT Boek begrijpt een wonderlijke Historie van de Profeet Iona, die van God beroepen zijnde tot het Prophetisch ambt onder de 10 stammen, of Israël, (als afgenomen wordt uit 2.Reg. 14:25.) hier extra-ordinaarlijk, tot beschaming van de hardnekkige Israëlieten, gezonden wordt om de heidense Nineviten haar aanstaanden ondergang te profeteren: Zulks hij door menselijke zwakheid zoekende t’ontgaan, vliedt na Tharsis, maar wordt van God, door zijn onbegrijpelijke regering, gemaakt tot een voorbeeld onze Salichmakers JEZUS CHRISTUS, terwijl hij (het onweder, als hij in de zee geworpen was, gestilt zijnde) drie dagen en drie nachten geweest is in den buik van de walvischs, ondertussen evenwel na ziel en lichaam behouden, en daarna op’t Land weer uitgespogen: Zoals onze JAHWEH CHRISTUS, Gods toorn gestilt hebbende, drie dagen en nachten geweest is in den buik van de aarde (Matth. 12:40.) en daarna uit de grave verresen. Iona van God alzo gekastijd, wonderbaarlijk behouden, en andermaal gezonden zijnde, is gehoorzaam: Maar ziend van de Nineviten bekering, en Gods genadige verschooning, toont hij opnieuw zijn menselijke zwakheid door’t groot verdriet, dat hij daarover had, en wordt van God daarom berispt, zeer lieflijk onderwezen, en overtuicht.
11 En het woord van JAHWEH gebeurde tot2 Jona, de zoon van Amitthai, zeggende: 2Maak u op, ga naar dea grote stad3 Nineve, en4 predik tegen haar;5 want6 hun boosheid is7 opgeklommen voor Mijn aangezicht. 3Maar Jona maakte zich op om te8 vluchten naar9 Tarsis, van het aangezicht van10 JAHWEH; en hij kwam af te11 Jafo, en vond een schip, gaande naar Tarsis, en hij gaf de vracht12 daarvan, en ging neer in hetzelfde, om met13 hen te gaan naar Tarsis, van het aangezicht van JAHWEH. 4Maar JAHWEH14 wierp een grote wind op de zee; en er werd een grote storm in de zee, zodat het schip15 dacht te breken. 5Toen vreesden de16 zeelieden, en riepen ieder tot17 zijn god, en wierpen de18 voorwerpen, die in het schip waren, in de zee, om het daarvan te19 verlichten; maar Jona was neergegaan aan de20 zijden van het schip, en lag neer, en was met een diepe21 slaap bevangen. 6En de opperschipper naderde tot hem, en zei tot hem: Wat is u, u hardslapende? Sta op, roep tot uw God, misschien zal die God aan ons gedenken, dat wij niet vergaan. 7Verder zeiden zij, een ieder tot zijn metgezel: Komt, en laat ons loten werpen, opdat wij mogen weten,25 om wiens wil ons dit26 kwaad overkomt. Zo wierpen zij loten, en het lot27 viel op Jona. 8Toen zeiden zij tot hem: Verklaar ons nu,28 om wie de wil ons dit kwaad overkomt. Wat is uw29 werk en vanwaar komt u? Welk is uw land en van welk volk bent u? 9En hij zei tot hen: Ik ben een Hebreër; en ik vreze JAHWEH, de God van de hemel, Die de zee en het droge gemaakt heeft. 10Toen vreesden die mannen met grote vreze, en zeiden tot hem:34 Wat hebt u dit gedaan? Want de mannen wisten, dat hij van het aangezicht van JAHWEH35 vluchtte; want hij had het hun te kennen gegeven. 11Verder zeiden zij tot hem: Wat zullen wij u doen, opdat de zee stil wordt36 van ons? Want de zee37 werd hoe langer hoe onstuimiger. 12En hij zei tot hen: Neemt mij op, en werpt mij in de zee, zo zal de zee stil worden van u; want ik weet, dat deze grote storm u om mijnentwil over komt. 13Maar de mannen39 roeiden, om het schip weer te brengen aan het40 droge, maar zij konden niet; want de zee41 werd hoe langer hoe onstuimiger tegen hen. 14Toen riepen zij tot JAHWEH, en zeiden: Och JAHWEH! laat ons toch niet vergaan om van deze mans ziel, en leg4243 geen onschuldig bloed op ons; want U, JAHWEH! hebt gedaan, zoals het U heeft behaagd. 15En zij namen Jona op, en wierpen hem in de zee. Toen stond de zee stil van haar toorn. 16Daarom vreesden de mannen JAHWEH met grote vreze; en zij44 slachtten JAHWEH slachtoffer, en45 beloofden geloften. 17JAHWEH nu46 beschikte een47 grote vis,48 om Jona in te slokken; en Jona was in het binnenste49 van deb vis, drie dagen en drie nachten.