Johannes 16

11 Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat u niet2 ten val komt. 2a Zij zullen u3 uit de synagogen werpen; ja, het uur komt, dat ieder, die u zal doden, zal menen voor God4 een dienst te doen. 3b En deze dingen zullen zij u doen, omdat zij de Vader niet gekend hebben, noch Mij. 4c Maar deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat, wanneer het uur zal gekomen zijn, u deze mag gedenken, dat Ik ze u gezegd heb; maar deze dingen heb Ik u van het begin5 niet gezegd, omdat Ik bij u was.6 5En7 nu ga Ik heen tot Dengene, die Mij gezonden heeft, en niemand van u8 vraagt Mij: Waar gaat U heen? 6Maar omdat Ik deze dingen tot u gesproken heb, zo heeft9 de verdriet uw hart vervuld. 7Maar Ik zeg u de waarheid: Het is u nut, dat Ik wegga; want als Ik niet wegga, zo zal10 de Trooster tot u11 niet komen;d maar als Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden. 8En Die gekomen zijnde, zal de wereld12 overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel: 913 Van zonde, omdat zij14 in Mij niet geloven; 10En15 van gerechtigheid,16 omdat Ik tot Mijn Vader heenga, en u zult Mij17 niet meer zien; 11En18 van oordeel,e omdat19 de overste van deze wereld20 geoordeeld is. 12Nog21 vele dingen heb Ik u te zeggen, maar u kunt die22 nu niet dragen. 13Maar wanneer Die23 zal gekomen zijn, namelijk de Geest van def waarheid, Hij zal u in24 al de waarheid leiden;g want Hij zal25 van Zichzelf niet spreken, maar zo wat Hij zal26 gehoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen. 14Die zal Mij27 verheerlijken; want Hij zal28 het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen. 1529h Al wat de Vader heeft, is Mijn; daarom heb Ik gezegd, dat Hij het uit het Mijne zal nemen, en u verkondigen. 16i Een30 kleine tijd, en u zult Mij niet zien; en opnieuw een31 kleine tijd, en u zult Mij zien, want Ik ga heen tot de Vader. 17Sommigen dan uit Zijn discipelen zeiden tot elkaar: Wat is dit, dat Hij tot ons zegt: Een kleine tijd, en u zult Mij niet zien; en opnieuw een kleine tijd, en u zult Mij zien; en: Want Ik ga heen tot de Vader? 18Zij zeiden dan: Wat is dit, dat Hij zegt: Een kleine tijd? Wij weten niet, wat Hij zegt. 19Jezus dan bekende, dat zij Hem wilden vragen, en zei tot hen: Vraagt u daarvan onder elkaar, dat Ik gezegd heb: Een kleine tijd, en u zult Mij niet zien, en opnieuw een kleine tijd, en u zult Mij zien? 20Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, dat u34 zult huilen, en klagelijk huilen, maar de wereld zal zich verblijden; en u zult bedroefd zijn, maar uw verdriet35 zal tot blijdschap worden. 2136k Een vrouw, wanneer zij baart,37 heeft verdriet, omdat haar uur gekomen is; maar wanneer zij het kind gebaard heeft,38 zo gedenkt zij de benauwdheid niet meer, om de blijdschap, dat een mens ter wereld geboren is. 22En u dan hebt nu wel verdriet; maar Ik zal u39 opnieuw zien,l en uw hart zal zich40 verblijden, en niemand zal uw blijdschap van u41 wegnemen. 23En in die dag zult u Mij42 niets vragen.m Voorwaar, voorwaar Ik zeg u: Al wat u43 de Vader zult bidden in Mijn Naam, dat zal Hij u geven. 2444 Tot nog toe hebt u45 niet gebeden in Mijn Naam;46 bidt, en u zult ontvangen, opdat uw blijdschap47 vervuld zij. 25Deze dingen heb Ik door gelijkenissen tot u gesproken; maar het uur komt, dat Ik niet meer48 door gelijkenissen tot u spreken zal, maar u49 vrijuit50 van de Vader zal verkondigen. 2651 In die dag zult u in Mijn Naam bidden; en Ik52 zeg u niet, dat Ik de Vader voor u bidden zal; 27Want de Vader Zelf heeft u lief,53 omdat54 u Mij liefgehad hebt,n en hebt geloofd, dat Ik van God ben uitgegaan. 28o Ik ben van de Vader uitgegaan, en ben in de wereld gekomen; opnieuw55 verlaat Ik de wereld, en ga heen tot de Vader. 29Zijn discipelen zeiden tot Hem: Zie, nu spreekt U vrijuit, en zegt geen gelijkenis. 30Nu weten wij,p dat U56 alle dingen weet, en U hebt niet nodig, dat U iemand vrage.57 Hierom geloven wij, dat U van God uitgegaan bent. 31Jezus antwoordde hun: Gelooft u nu? 32q Zie, het uur komt, en is nu gekomen, dat u zult59 verstrooid worden, ieder60 naar het zijne, en u Mij alleen zult laten;r en toch ben Ik niet alleen; want de Vader is met Mij. 33Deze dingen heb Ik tot u gesproken,s opdat u61 in Mij62 vrede hebt. In de wereld zult u verdrukking hebben, maar hebt goede moed, Ik heb63 de wereld64 overwonnen.