Johannes 1

Boekinleiding lees meer ▾ DIT Evangelie is mede van de zelf Inhoud met de voorgaande: alleen verhaalt Johannes ook enige predicatien en gebeden CHRISTUS, als ook enige mirakelen, die de andere Evangelisten niet en hadden besch...
DIT Evangelie is mede van de zelf Inhoud met de voorgaande: alleen verhaalt Johannes ook enige predicatien en gebeden CHRISTUS, als ook enige mirakelen, die de andere Evangelisten niet en hadden beschreven. De oude kerklijke Schrijvers getuigen dat hij dit Evangelie na de andere Evangelisten geschreven heeft, op het versoek van de kerken van Azië, als onder de zelf ontstaan waren de ketterien van Ebion en Cerinthus, die de Godtheid JEZUS CHRISTUS loochenden: waarom hij ook zijn Evangelie van 't bewijs van de zelf aangevangen heeft. De Evangelist Johannes dan beschrijft ook eerst de Perzon, en daarna het ambt CHRISTUS. Aangaande zijn Perzon, eerstelijk zijn Godtlijke nature, die hij uit zijn werken bewijst, en daarna zijn mensch-werding. Aangaande zijn Ampt, hij beschrijft eerstelijk zijn Leer-ambt: dat daartoe hem de weg bereidt heeft Johannes de Dooper, opentlijk betuigend en bewijsende dat niet hij, maar IESUS het Lam Gods, en de beloofde Messias was: waardoor Andreas, en Simon Petrus zijn broeder, en Filippus in CHRISTUS gelooven, en Nathanaël ook tot hem gebracht wordt, en gelooft heeft. hfst. 1. Dat CHRISTUS zijn eerste mirakel doet, het water in wijn veranderende in een bruiloft tot Cana in Galileen: dat hij op het Paas-feest te Jeruzalem komende de Tempel suivert van de koopers en verkoopers, en tegen de Joden bewijst dat hij daartoe macht had. hfst. 2. Dat hij Nicodemum een Farizeeër onderwezen heeft in de hoofdstukken van de ware Religie, voornaamlijk van de nootwendigheid en nature van de Geestelijke weer-geboorte van de Mensen, en van zijn verhooging aan 't kruice, waarvan de kopere Slange een voor-beeld was, en van de nootwendigheid en vrucht van de geloofs in hem: dat Johannes de Dooper, als IESUS in Iudeen gekomen was, opnieuw betuigt heeft voor de Joden dat niet hij, maar IESUS, de ware Messias was, en datmen in die moeste gelooven om salich te worden. hfst. 3. Dat CHRISTUS opnieuw reizende na Galileen, en komende bij Sichar met een Samaritaanse vrouwe aan de put gehandelt heeft van het levendige water, 't welk hij de geloovigen geeft, als ook van de plaats en wijse van aanbidding: en dat zij en vele Samaritanen in hem geloofden: dat de Galileers hem wel ontfingen, en dat hij te Capernaum de Zoon van een dienaar van de Conincx geneest. hfst. 4. Dat hij een man die 38 jaren te Jeruzalem aan de vyver Bethesda krank gelegen had, op de Sabbath met een woord genesen heeft; waarom de Joden hem sochten te doden, tegen de welke CHRISTVS hem verantwoort, bewijsende niet alleen met de getuigenisn Ioannis, maar ook met zijn werken en met de Schriftuur, voornaamlijk van Mozes geschreven, dat hij de Zoon Gods was. c. 5. Dat hij vijf duizend mannen met vijf brooden heeft gespijsicht: op de zee heeft gewandelt: de scharen bestraft dat ze hem om het brood volghden, haar vermanende te trachten na het brood van de levens dat van de hemel komt, waarvan het Manna een voorbeelt was: en leert dat hij dat brood was, en dat men zijn vlees moet eten, en zijn bloed drinken : 't welk als de Capernaïten qualijk verstonden, hij haar naarder verklaart, dat zijn woorden geestelijk te verstaan zijn, naamlijk datmen in hem moet gelooven: waarom sommige discipelen van hem weeken, maar de twaalve bleven bij hem, tot welke hij secht dat één uit haar een duivel was. hfst. 6. Dat zijn magen hem vermanen op te gaan tot het Feest van de Loover-hutten, die hij laat voor heen trekken: wat het volk op het feest van hem seiden : dat hij zo in het midden van het feest, als op het ein de het volk heeft geleert, dat zijn leer de leer van de Vaders was, 't welk vele geloofden, en de Farizeeën tegenspraken: en de Farizeeën hem sochten te vangen, maar van Nicodemus wordt verantwoort. hfst. 7. Dat hij een vrouwe in overspel bevonden niet en wil veroordeelen: en het volk leert dat hij het licht van de wereld is, en hij van hem zelf niet en getuigt, maar de Vader die hem gezonden heeft: overtuicht de Farizeeën dat ze geen rechte kin deren Abrahams en waren, maar kin deren en dienaren van de duivels, en dat hij voor Abraham geweest is: waarover zij hem wilden steenigen. hfst. 8. Dat hij een die blind geboren was, ziend heeft gemaakt: 't welk de Farizeeën bekent geworden zijnde, zij de zelf ondersoeken, en hem de waarheid vrijmoedelijk bekennende lasteren, en uitwerpen: aan de welke de JAHWEH hem klaarder openbaart, en de Farizeeën haar geestelijke blintheid verwijt. hfst. 9. en leert dat de rechte Herders door de deure moeten ingaan: dat hij de goede Herder is, en geen huerlingh: dat hij noch andere schapen heeft, die hij moet toebrengen: dat hij gewillichlijk zijn leven voor de schapen stelt: dat hij op het feest van de Inwijding door zijn werken bewijst, dat hij de beloofde Messias was: en dat vele in hem geloofden. hfst. 10. Dat hij LaZarum van Bethanien nu vier dagen dood geweest zijnde, van de doden heeft opgewekt: waarover de overste van de Priesters Raad hielden om hem te doden, uit vrees dat het volk in hem zou gelooven: 't welk de Hogepriester Cajaphas, onwetende profeetrende, goet vind, en dat de Over-priesters last gaven datmen hem zou vangen, als hij op het feest zou komen. c. 11. Dat hij te Bethanien van LaZaro en zijn susters tot het avondmaal genoodt wordt: waar Maria zijn voeten salft, 't welk Iudas bestraft, en hij verantwoort: dat de Joden LaZarum sochten te doden: dat hij zijn Koninklijken ingank doet te Jeruzalem rijdende op een esel: zijn dood de Discipelen voorsecht: zijn Vader bidt, die hem met een grote stemme antwoort: de scharen vermaand in zijn licht te wandelen: dat Iesaias van van de Joden hartnekkigheid tevoren heeft geprofeetert: dat vele Overste in hem geloofden, maar niet en derfden 't zelf belijden: vermaand in hem te gelooven, alzo hij zijn leer van de Vader ontvangen heeft. hfst. 12. Dat hij zijn Discipelen de voeten heeft gewasschen, en daarmee haar vermaand, na zijn exempel, tot nederigheid en onderling gedienstigheid: Klaagt dat één van haar hem zou verraden, die hij bekent maakt, en bestraft: voorsecht zijn Discipelen dat hij haast zou verheerlijkt worden, en vermaande ze tot liefde: en voorsecht Petro zijn val. hfst. 13. Dat hij zijn Discipelen onderricht waar hij zal heen gaan, naamlijk in het Huis zijn Vaders, en Filippum leert wie zijn Vader was: belooft dat de Vader haar geven zal al wat zij in zijn Name de Vader sullen bidden: en dat hij haar zal zenden de H. Geest: en vermaand hem en zijn woord lief te hebben. hfst. 14. Dat hij hem zelf vergelijkt bij een wijnstok, en haar bij de ranken, en daardoor haar vermaand vruchten in hem voort te brengen: en voornaamlijk elkaar lief te hebben: haar vertroost tegen de haat en vervolging van de wereld, en belooft de Geest van de waarheid. hfst. 15. Voorsecht wat al kwaads haar over zal komen van de Joden, en troost haar over zijn vertrek, met de belofte van de H. Geest, en de kracht van de zelf, als ook dat het lijden niet lange zal dueren, en in blijdschap veranderen: en dat de Vader altijt haar gebed zal verhoren: voorsecht haar ook haar verstroying. hfst. 16. Daar na beschrijft hij zijn Priesterlijk ambt. hoe een treflijk gebed, hij tot zijn Vader gedaan heeft, eerst voor hem zelf, dat de Vader hem zou willen verheerlijken, daarna voor zijn elf Apostelen, dat hij haar zou willen van het kwaad bewaren, en ook voor alle die door haar woord in hem zouden gelooven, dat ze in eenigheid mogen blij-ven, en zijn heerlijkheid deelachtig worden. hfst. 17. En verder beschrijft hij zijn lijden, 't gene hij geleden heeft zo in het hofken, daar hij van Iudas is verraden, van de soldaten, die hij eerst ter aarden werpt, gevangen, als in het Huis van de Hoogen-priesters Cajaphas, waar Petrus hem driemaal verloochent, en hij van de Hoogen-priester ondersocht wordt: en in het recht-Huis voor de stad-houder Pilatus, die ook eerst de Joden en daarna CHRISTVM ondervraacht hebbende geen schult in hem en vind, en daarom hem zoekt los te laten door het middel, dat men op 't Paas-feest een misdadige los liet: maar dat het volk begeerde niet hem maar Barabbam losgelaten te hebben. hfst. 18. Dat Pilatus hem heeft doen geesselen, en van de soldaten bespotten, en alzo wilde los laten: maar dat de Over-priesters riepen dat hem zou kruicigen, 't welk Pilatus eindelijk heeft toegestaan, en hem overgelevert aan de soldaten, die hem gekruist hebben, stellende zijn beschulding boven zijn hoofd, en hebben zijn kleederen door het lot gedeelt: dat zijn moeder daarbij stond, die hij aan Johannes beveelt, en met azijn gedrenkt zijnde, de geest heeft gegeven, waarom hem de beenderen niet en zijn gebroken: en dat hij van Jozef van Arimatheen en van Nicodemo is begraven. hfst. 19. Dat hij ten derden dage weer opgestaan is van de doden, 't welk eerst aan Maria Magdalene van twee Engelen is bekent gemaakt, en terstont daarna door CHRISTVM zelf haar aansprekende: Zoals ook van de avonts aan de andere Discipelen, daar Thomas niet bij en was, die het niet en konde gelooven, en acht dagen daarna aan de zelf en aan Thomas, die zijn zijde tast en gelooft. hfst. 20. Dat hij hem noch eens openbaart aan zijn Discipelen visschende aan de zee van Tiberias, alwaar hij Petrum herstelt in zijn ambt, en hem zijn uitgang voorsecht: en daar mede besluit Johannes zijn Evangelische Historie. hfst. 21.
1a In1 het begin was2 het Woord, en het Woord was3b bij God, en het Woord4 was God. 2c Dit was in het begin bij God. 3d Alle dingen zijn door Hetzelve5 gemaakt, en6 zonder Hetzelve is7 geen ding gemaakt, dat gemaakt is. 4e In8 Hetzelve was9 het Leven, en10f het Leven was11 het Licht van de mensen. 5g En12 het Licht13 schijnt14 in de duisternis, en15 de duisternis heeft het niet begrepen. 6h Er was een mens16 van God gezonden, wiens17 naam was Johannes. 7Deze kwam tot een getuigenis, om van18 het Licht te getuigen, opdat zij allen19 door hem geloven zouden. 8Hij was het Licht niet, maar was gezonden, opdat hij van het Licht getuigen zou. 9i Dit was het waarachtige Licht, Dat20 verlicht21 elk mens,22 komende in de wereld. 10Hij was23 in de wereld,k en de wereld is door Hem24 gemaakt; en de25 wereld heeft Hem niet gekend. 11Hij is gekomen tot26 het Zijne, en27 de Zijnen hebben Hem niet28 aangenomen. 12l Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij29 macht gegeven30 kinderen van God te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven; 13Die niet uit het bloed, noch uit de wil van het vlees, noch uit de wil van de man, maar uit God geboren zijn. 14m En het Woord is33 vlees34 geworden, en heeft onder ons35 gewoondn (en wij hebben36 Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid37 als van de Eniggeborene van de Vader),38o vol van genade en waarheid. 15Johannes getuigt van Hem, en heeft geroepen, zeggende: Deze was het, van Wie ik zei: Die na mij komt, is voor mij geworden, want Hij was eer dan ik. 16Enq uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook42 genade voor genade. 17r Want de43 wet is44 door Mozes gegeven, de45 genade en46 de waarheid is47 door Jezus Christus geworden. 18s Niemand heeft ooit God48 gezien; de eniggeboren Zoon,t Die49 in de schoot van de Vader is, Die heeft5051 Hem ons verklaard. 19En52 dit isv de getuigenis van Johannes, toen de Joden enige priesters en Levieten afzonden van Jeruzalem, opdat zij hem zouden vragen: Wie bent u? 20Enx hij53 beleed en ontkende het niet; en beleed: Ik ben de Christus niet. 21En zij vraagden hem: Wat dan? Bent u Elia? En hij zei: Ik ben die niet. Bent u de profeet? En hij antwoordde: Nee. 22Zij zeiden dan tot hem: Wie bent u? opdat wij antwoord geven mogen degenen, die ons gezonden hebben; wat zegt u van uzelf? 23Hij zei: Ik ben de stem van de roepende in de woestijn: Maakt de weg van de Heere recht, zoals Jesaja, de profeet, gesproken heeft. 24En de afgezondenen waren uit de Farizeeën; 25En zij vraagden hem en spraken tot hem:57 Waarom doopt u dan, zo u de Christus niet bent, noch Elia, nocha de profeet? 26Johannes antwoordde hun, zeggende: Ik doop met water, maar Hij staat midden onder u, Die u niet kent; 27Deze is het, Die59 na mij komt, die voor mij geworden is, Wie ik niet waard ben,60 dat ik Zijn schoenriem zou ontbinden. 28Deze dingen zijn geschied in61 Bethabara,62 over de Jordaan, waar Johannes was dopende. 29Op de andere dag zag Johannes Jezus tot zich komende, en zei: Zie het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt! 30Deze is het, van Wie ik70 gezegd heb: Na mij komt een Man, Die voor mij geworden is, want Hij was71 eer dan ik. 31En ik72 kende Hem niet; maar opdat Hij aan Israël zou geopenbaard worden, daarom ben ik gekomen, dopende met het water. 32En Johannes getuigde, zeggende: Ik heb de Geest zien nederdalen uit de hemel, gelijk een duif, en bleef op Hem. 33En ik74 kende Hem niet; maar Die mij gezonden heeft, om te dopen75 met water, Die had mij gezegd: Op Wie u de Geest zult zien nederdalen, en op Hem blijven,e Deze is het, Die met de Heilige Geest76 doopt. 34En ik heb gezien, en heb getuigd, dat Deze de Zoon van God is. 35Op77 de andere dag opnieuw stond Johannes, en twee uit zijn discipelen. 36En ziende op Jezus, daar wandelende, zei hij:f Ziet, het Lam van God! 37En die twee discipelen78 hoorden hem dat spreken, en zij volgden Jezus. 38En Jezus Zich omkerende, en ziende hen volgen, zei tot hen: 39Wat zoekt u? En zij zeiden tot Hem: Rabbi! (dat is te zeggen, overgezet zijnde,79 Meester) waar80 woont U? 40Hij zei tot hen: Komt en ziet! Zij kwamen en zagen, waar Hij woonde, en bleven die dag bij Hem. En het was ongeveer het tiende uur. 41Andreas, de broer van Simon Petrus, was één van de twee, die het van Johannes gehoord hadden, en Hem gevolgd waren. 42Deze vond eerst zijn broer Simon, en zei tot hem: Wij hebben gevonden de Messias, dat is, overgezet zijnde, de Christus. 43En hij leidde hem tot Jezus. En Jezus, hem aanziende, zei: U bent Simon, de zoon van84 Jonas; ug zult genoemd worden Cefas, dat overgezet wordt85 Petrus. 44Op de andere dag wilde Jezus heengaan naar Galilea, en vond Filippus, en zei tot hem: Volg Mij. 45h Filippus nu was van87 Bethsaïda, uit de stad88 van Andreas en Petrus. 46Filippus vond Nathanaël en zei tot hem: Wij hebben Die gevonden, van Wie Mozes in de wet geschreven heeft, en de profeten, namelijk Jezus, de zoon van Jozef, van Nazareth. 47En Nathanaël zei tot hem: Kan uit Nazareth iets goeds zijn? Filippus zei van hem: Kom en zie. 48Jezus zag Nathanaël tot Zich komen, en zei van hem: Zie, werkelijk een Israëliet, in wie geen bedrog is. 49Nathanaël zei tot Hem: Vanwaar kent U mij? Jezus antwoordde en zei tot hem: Voordat u Filippus riep, daar u onder de vijgeboom was, zag Ik u. 50Nathanaël antwoordde en zei tot Hem: Rabbi! U bent de Zoon van God, U bent de Koning van Israël. 51Jezus antwoordde en zei tot hem: Omdat Ik u gezegd heb: Ik zag u onder de vijgeboom, zo gelooft u; u zult grotere dingen zien dan deze. 52En Hij zei tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Van nu aan zult u de hemel zien geopend, en de engelen van God opklimmende en nederdalende op de Zoon des mensen.