Job 24

11 Waarom zouden van de Almachtige2 de tijden niet3 verborgen zijn, omdat zij,4 die Hem kennen,5 Zijn dagen niet zien? 26 Zija tasten7 het gebied aan; de kudden roven zij, en8 weiden ze. 3De ezel van de wezen drijven zij weg; de os van een weduwe9 nemen zij te pand. 4Zij doen de armen10 wijken van de weg; samenb versteken zich de ellendigen van het land. 5Ziet, zij zijn11 woudezels in de woestijn; zij gaan uit tot hun werk, makende zich vroeg op ten roof;12 het vlakke veld is13 hem tot14 voedsel, en de15 jongeren. 6Op het veld16 maaien17 zij zijn voeder, en de wijnberg van18 de goddelozen lezen zij af. 7De19 naakten laten zij overnachten zonder kleding, die geen deksel heeft tegen de koude. 8Van de stroom20 van de bergen21 worden zij nat, en22 zonder toevlucht zijnde,23 omhelzen zij de steenrotsen. 924 Zij rukken het weesje25 van de borst, en26 dat over de arme is, nemen zij te pand. 10c De27 naakte doen zij weggaan zonder kleed,28 en hongerig, die garven dragen. 11Tussen29 hun30 muren persen31 zij olie uit, treden de wijnpersen, end zijn dorstig. 12Uit de stad32 zuchten de mensen, en de ziel van de verwonden schreeuwt uit; toch beschikt God niets33 ongerijmds. 13Zij zijn onder de wederstrevers van34 het licht; zij kennen35 Zijn wegen niet, en zij blijven niet op Zijn paden. 14Met36 het licht staat de moorder op,e doodt de arme en de arme; en in de nacht is hij als een dief. 15Ook neemt het oog van de overspelers de schemering waar, zeggende: Geen oog zal mij zien; en hij legt een deksel op het aangezicht. 16In de duisternis doorgraaft41 hij de huizen,42 die zij zich overdag43 afgetekend hadden;h zij44 kennen het licht niet. 17Want de morgenstond is45 hun samen de schaduw van de dood; als men hen kent,46 zijn zij in de strikken van de47 dood schaduw. 1848 Hij is49 licht op het vlakke van de wateren;50 vervloekt is51 hun deel op de aarde; hij wendt zich niet tot52 de weg van de wijngaarden. 1953 De droogte en ook de hitte nemen de sneeuwwateren weg; zo het graf van degenen, die gezondigd hebben. 20De54 baarmoeder vergeet hem,55 het gewormte is hem zoet,56 van zijn wordt niet meer gedacht; en57 het onrecht wordt gebroken als een hout. 21De onvruchtbare, die niet baart,58 teert hij af, en aan de weduwe doet hij niets goeds. 22Ook59 trekt hij60 de machtigen door zijn kracht;61 staat hij op, zo is62 men van het leven niet zeker. 2363 Stelt64 hem65 God in gerustigheid, zo steunt hij daarop; toch zijn Zijn66 ogen op67 hun wegen. 2468 Zij zijn een korte tijd verheven, daarna is er niemand van hen; zij worden neergedrukt; gelijk alle anderen69 worden zij besloten; en gelijk70 de top van een aar worden71 zij afgesneden. 25Als het nu zo niet is, wie zal mij leugenachtig maken, en mijn rede tot niet brengen?